vrijdag 6 september 2013

EEN VERJAARDAGSVERHAAL VOOR FLEUR


Fleur is 10 jaar geworden. Ze kreeg van mij een gouden ringetje, dat ik zelf jaren heb gedragen.
Opgeknapt en met een nieuw steentje is het nu voor Fleur!















Bloem's droom, een verjaardagsverhaal voor Fleur

'Ik moet even wat boodschappen halen bij de supermarkt, ga je mee?' vraagt oma.

Heel veel zin heeft Bloem niet, ze is met haar pop aan het spelen.

Bloem logeert een nachtje bij oma en ze heeft pop Saskia en alle speelgoedhonden bij zich.

'Mag Saskia dan mee, in de poppenwagen?' vraagt ze.

'Natuurlijk, gezellig!'

'Maar ik moet haar nog aankleden,' zegt Bloem, 'en ik heb mijn krentenbol nog niet op.'

'O, doe maar kalm aan hoor, ik ga eerst nog een boodschappenbriefje maken.

Waar heb je trek in, pannenkoeken of pasta?'

'Pasta graag, oma'.

'Goed, ehhhhh, dat wordt dus spaghetti, tomaten, gehakt, Italiaanse groente...'

'Weet je wat, neem je krentenbol maar mee in een zakje, voor onderweg.'

Pop Saskia ligt in de wagen, de krentenbol aan het voeteneinde en oma heeft haar boodschappentas tevoorschijn gehaald.

'Zullen we door het park lopen?' vraagt oma.

'Best hoor.'

Ze zijn nog geen vijf minuten onderweg of oma slaat haar hand voor haar mond.

'Oh, wat ben ik toch een sufferd, ik heb mijn boodschappenbriefje op tafel laten liggen!

Nu moeten we terug want zonder briefje vergeet ik de helft.'



Nou, dat gelooft Bloem ook, want oma vergeet tegenwoordig van alles, vooral namen.

'Kan ik hier niet even wachten, dan hol je naar je huis om het briefje op te halen,' stelt Bloem voor.

Oma twijfelt, ze wil Bloem liever niet alleen in het park achterlaten.

'Goed dan, maar dan ga je op deze bank zitten en denk erom, met niemand meegaan en niets van een vreemde aannemen.'

Ja, dat weet Bloem ook wel, dat heeft mama haar vaak genoeg verteld en ze is geen klein kind meer, ze is al bijna tien!

'Ga nou maar,' zegt ze en oma holt weg.

Bloem kijkt haar na, oma loopt best grappig, net of haar lijf harder wil dan haar benen kunnen.

Ze zit in de zon en als een echte moeder laat ze de poppenwagen op en neer wiebelen, dat vinden baby's lekker en poppen ook.

Vanuit een zijpaadje komt een oud vrouwtje met een boodschappenkar aangesloft.

Ze is veel ouder dan oma en ze ziet er een beetje vreemd uit, met een lange rok, rare grote schoenen, een vuile jas en lang, stijl haar.

Zou het een zwerfster zijn? Of een heks?

Ze heeft geen puntmuts op en ook geen bezem bij zich, dus dat zal wel niet.

O nee he, nu gaat ze ook nog naast haar op de bank zitten.

Wat nu? Ze mag hier niet weg van oma.

Nou ja, het vrouwtje zal haar heus niets doen.

Het vrouwtje kijkt naar Bloem en dan naar de krentenbol in de poppenwagen.

Er komt een beetje spuug uit haar mondhoek.

Misschien heeft ze wel honger, denkt Bloem.

'Heeft u misschien trek in een krentenbol?' vraagt ze.

'Maar heb jij dan zelf geen honger?' antwoordt het vrouwtje.

Bloem schudt van nee.

'Dan graag, meisje, ik heb namelijk nog niets gegeten.'

Bloem geeft haar de krentenbol en het vrouwtje eet met hele kleine hapjes.

Als er geen kruimeltje meer over is, maken ze een praatje.

Bloem vertelt dat ze bij oma logeert en dat die vast heel gauw weer terug is met haar boodschappenbriefje.

'Je bent een lief meisje,' zegt het vrouwtje,' mag ik vragen hoeveel jaar je bent?'

Bloem vertelt trots dat ze bijna jarig is en dat ze dan al tien wordt.

'En hoe gaat het op school?' vraagt het vrouwtje.

Bloem zegt dat het heel goed gaat, alleen heeft ze soms een klein beetje moeite met lezen.

'Aha, in dat geval heb ik hier iets voor je,' zegt het vrouwtje.

Ze rommelt wat in haar boodschappenkar en haalt er een goudkleurig zijden zakje uit.

'O nee, ik mag niets van vreemden aannemen,' zegt Bloem verschrikt.

Het vrouwtje lacht haar vriendelijk toe.

'Je hebt mij toch je krentenbol gegeven, dan ben ik geen vreemde meer.

Hier.' Ze legt het zakje bij Bloem op schoot.

'Als je wat in dit zakje zit, om je vinger draagt, gaat de taal vanzelf.'

Bloem is nu toch wel benieuwd en voelt aan de buitenkant van het zakje.

Er zit iets hards in, zal ze het toch maar openmaken?

Voorzichtig kijkt ze erin en dan ziet ze nóg een zakje, roze dit keer.

Ze maakt het open en vindt een gouden ringetje met een klein steentje.

Als ze het ringetje op haar hand legt, glanst het in de zon en het steentje fonkelt alsof er duizenden sterretjes omhoog schieten.

Nee, het zijn geen sterretjes, maar lettertjes, schitterende lettertjes, die over elkaar heen buitelen. Haar ogen doen er pijn van, ze moet ze wel dicht doen, het lijkt of ze er slaperig van wordt.

Het vrouwtje zegt iets tegen haar, wat zegt ze nu, dat ze gaat uitrusten in het alfabet?

Bloem begrijpt er helemaal niets van, alles om haar heen draait, het lijkt wel of ze zweeft.

Dan voelt ze een lichte plof, ze is niet meer duizelig en doet haar ogen open.

Waar is ze nu terecht gekomen?

Ze zit op een bed en op dat bed ligt een sprei met allemaal lettertjes.

Dan ziet ze vijf grappige elfjes staan, ze hebben vleugeltjes en elk van hen draagt een houten bordje met een letter erop.

Bloem kijkt eens goed en ziet dat de bordjes haar naam vormen, B L O E M.

'Hallo Bloem,' zegt het elfje met de B. 'Je bent hier in Het Letterpaleis en wij zijn het Gevleugelde Woord. Zullen we je rondleiden?

Bloem is helemaal sprakeloos en ze knikt van ja.

'Dan moet je eerst van het alfabet komen,' zegt het elfje, anders gaat het niet.

Vlug springt Bloem van het bed, elfje B houdt haar hand vast en de rondleiding begint.

Achter een gordijn, ook al met lettertjes, ziet ze wel honderd mannetjes met letterbordjes heen en weer rennen.

De mannetjes maken rijen: korte rijen, lange rijen, en ze veranderen steeds van rij.

'Dat zijn de werkwoorden,' zegt het elfje, 'die hebben het de hele dag maar druk, druk, druk.'

'Maar wie zijn dan die rode mannetjes die er steeds tussen springen?' vraagt Bloem.

'O, dat zijn de voegwoorden, ze moeten altijd tussen de woorden in gaan staan, anders kunnen ze er geen zin van maken.'

Bloem begrijpt het.

Dan komen ze in een zaal met hele dikke, zware deuren waar groene mannetjes heel boos naar elkaar kijken. Ze schreeuwen en vechten, hun letterbordjes kletteren tegen elkaar Bloem vindt het niet echt leuk.

'Dat zijn de scheldwoorden. Nee, leuk is het niet, maar ze moeten er ook zijn'.

'Kom maar mee, deze zullen je beter bevallen'.

En ze komen in een blauwe kamer met schattige wezentjes, die allemaal een roze brilletje op hebben.

Ze zitten met hun letterbordjes op schommels in de vorm van witte wolken.

'Dat zijn de lieve woordjes, voor als je verliefd bent.'

LOVE leest Bloem en ze krijgt er een kleur van.

Daarna stappen ze in een half -donkere ruimte. Het is er nogal stoffig en het ruikt een beetje muf.

Mannetjes met lange baarden zitten gezellig bij elkaar, sommigen roken een pijpje.

Hun borden met letters staan tegen de muur, iedere letter lijkt op een kleine tekening met goud, rood en blauw.

'Dit is de kamer van de oude letteren,' zegt elfje, hier rust het woord van duizenden jaren geleden.'

Bloem is behoorlijk onder de indruk.

'Nu op je tenen lopen,' fluistert elfje Ze doet een gordijn opzij en daar staan allemaal wiegjes.

'Sssssst, anders worden ze wakker.

Het worden allemaal nieuwe woordjes zie je, maar die moeten nog worden bedacht, ze heten voorlopig De Kleine Lettertjes.'

Bloem en de elfjes lopen nu hand in hand naar buiten.

In de tuin gaan ze aan de rand van de vijver zitten.

In het midden van de vijver ligt een bootje te wiegelen.

Het bootje heet KOFSCHIP.

Nu wordt Bloem toch echt heel moe, ze wil wel eens terug en ze gaapt.

De elfjes brengt haar naar een hoge poort, waarop met grote letters staat : EINDE.

Ze omhelzen elkaar en Bloem holt door de poort.

Ze draait zich om en zwaait nog eens, maar de elfjes zijn al weg en de poort ziet ze ook niet meer...

'Bloem, Bloem,' hoort ze roepen.

Het is oma die hijgend voor haar staat.

'Was je in slaap gevallen?' vraagt oma.

Bloem knippert nog een beetje en vertelt dan wat haar is overkomen.

Dat kan toch niet,' zegt oma ongelovig, dat heb je vast gedroomd!'

'Nee hoor, echt niet. Kijk maar, mijn krentenbol is op en hier is het ringetje.'

Bloem doet haar hand open en nu ziet oma het ook.

'Asjemenou,' stamelt oma, 'waar is die vrouw dan gebleven?'

Ze kijken rond, maar het vrouwtje is weg.

'Mag ik het ringetje houden?' vraagt Bloem.

'Tja, je hebt het eerlijk gekregen, dus ik denk van wel,' antwoordt oma.

'Dan doe ik het om als ik naar school ga,' zegt Bloem blij.

'Wat zal ik dan goed worden in taal en lezen!'

'Ik vond je al knap,' zegt oma, maar nu word je vast nog veel knapper!'


Van Oma voor Fleur

5 september 2013, Anneke Koehof ©

fictie









Het alfabet



dinsdag 20 augustus 2013

DE RAT





Deze herinnering schreef ik al op 15 april 2008 voor mijn cursus Creatief Schrijven.
Ik was er heel trots op want ik kreeg er een 9 voor en daarmee was mijn docent niet scheutig!  

















De rat
Waarom de ratten nu ineens onze straat overnamen? Sommigen zeiden dat ze honger hadden, anderen gaven de schuld aan de hoge waterstand, maar waarschijnlijk kwam het door de vervanging van de oude rioleringen, waardoor een hele wijk rattenbewoners naar een andere woonplaats moest omzien.

Wij hadden reuze plezier. De nieuwe betonnen rioleringsbuizen lagen opgeslagen op een opengebroken plein en die grote zandvlakte was een prachtig speelterrein!
De buizen waren zo groot en lang dat we er doorheen konden hollen, er op konden klimmen en er overheen konden springen. Het “wachie”, een gepensioneerde man die wat bijverdiende, kneep een oogje dicht om de kinderen hun plezier te gunnen.

De ratten wisten niet waar ze het zoeken moesten en kwamen overal tevoorschijn,
zelfs uit de wc. Dat was bij ons al een paar maal voorgekomen en je durfde nauwelijks op de bril te gaan zitten, uit angst dat er een rat in je billen zou bijten.

Ook in de tuin liepen ze, om in een gat bij de regenpijp te verdwijnen als de herdershond van de buren er op af werd gestuurd. Wanneer je de tuindeuren niet goed dicht hield kwamen ze brutaalweg bij klaarlichte dag naar binnen en bij mijn buurmeisje sprong er een via de gordijnrail op haar hoofd. Zelf werd ik een keer gillend wakker omdat er een aan mijn haar trok, maar het bleek dat zich een lok om het knoopje van mijn kussensloop had gewonden.

De verhalen over de ratten namen mythische vormen aan. Zo zouden ze aan baby’s in de wieg knabbelen, als je ze achterna zat vlogen ze je naar de keel en niet zelden werden exemplaren gesignaleerd die groter of minstens zo groot waren als een flinke kat.

Mijn vader had voorzorgsmaatregelen genomen om de strijd met de gevaarlijke monsters aan te gaan. Van zijn werk nam hij een flinke ijzeren staaf mee, daar werd een vlijmscherpe punt aan geslepen en een handvat aan geconstrueerd. Hoe hij dat voor elkaar had gekregen is een raadsel, lassen kon hij niet, maar hij was een handige man, als zo velen in de oorlog door armoe en zuinigheid inventief geworden. Hij heeft ons later menigmaal verbaasd door de wijze waarop hij uit allerlei onderdelen een voorwerp voor hergebruik samenstelde. Dat daardoor een ongelijkbenige schaar ontstond, of een wiebelende groenteschaal met als herkomst het ronde kijkvenster van een kapotte wasautomaat, deerde hem niet.

De ijzeren staaf werd ter voorkoming van roest met zilververf behandeld en ziedaar, een zwaard was geboren. Daarmee in aanraking gekomen moest je wel een flinke rat zijn om dat te overleven.

Op een zondagmorgen zat er een in de gang, nota bene bovenop zijn fietszadel, maar die werd naar de eeuwige jachtvelden gezonden toen mijn vader hem het kleine voorportaal indreef en daar met hem afrekende. Wij zaten bibberend met de deur dicht te wachten tot de strijd was gestreden en wij ontvingen hem als een held.

'Daar zit weer zo'n kreng', riep mijn moeder, die het nu wel zat werd. De rat zat op zijn gemak toilet te maken, net als een kat waste hij met zijn voorpootjes zijn snorharen, het vluchtgat bij de regenpijp in zijn nabijheid.

Wij mochten heel voorzichtig door het kleine openslaande raam kijken en het viel ons eigenlijk wel mee, zo groot was het beest nu ook weer niet, of zou het een jonkie zijn?

'Allemaal aan de kant', snauwde mijn vader met het zwaard in de aanslag. Hij boog zich zo geruisloos mogelijk uit het raam, richtte het scherpe wapen tot vlak boven de rat en liet het toen loodrecht naar beneden vallen.
Het beest werd doorspiesd, probeerde nog weg te komen, maar viel een meter verderop neer.

Wat ik toen hoorde ging mij door merg en been. De gewonde rat gilde het uit en maakte daarbij dezelfde geluiden als een huilend kind. Ik hield mijn handen tegen mijn oren, wilde er niet naar kijken en had intens medelijden met hem.

Als stadskind, opgevoed zonder huisdieren, had ik niet eerder beseft dat een dier, net als ik, pijn kon hebben, kon huilen, misschien wel een vader en een moeder had die niet begrepen waar het bleef.

Mijn vader vertelde ons dat het juist goed was, door het gegil zouden de andere ratten vluchten en niet meer terugkomen.

In mijn herinnering heeft het nog uren geduurd. Voor een gevoelig kind als ik was het een schokkende ervaring en ik bekeek mijn vader plotseling met heel andere ogen. Ik vond hem wreed en gemeen en dat durfde ik hem in mijn boosheid zelfs te zeggen.

Hij lachte er maar een beetje om en zei dat ik me niet moest aanstellen, waarop ik nog bozer werd en antwoordde:

“Maar een rat is ook een mens!”



Anneke Koehof © 2008

zaterdag 17 augustus 2013

YVONNE DE SPIONNE


















...EN ZO WERD IK INGEZET VOOR 'BEDRIJFSSPIONAGEDOELEINDEN'.

Zoals velen had ik een vakantiebaantje, en wel bij V&D.

Ik spreek over 1958, maar het kan ook een jaartje eerder of later geweest zijn en ik werd hulpverkoopster op de afdeling damesceintuurs, herenriemen, handschoenen en shawls.

Behalve het verkopen van  riemen en shawls, verzamelde ik daar ook meteen handtekeningen van bekende acteurs en actrices, want die kwam je regelmatig tegen, zoals onder andere  Conny Stuart, Mary Dresselhuys, Ton Lensink en Shireen Strooker.
Zij hebben bij mij een shawl of een riem gekocht en gaven graag hun handtekening.

Later werkte ik nog enkele weken op de inpakafdeling. Daar voelde ik me veel vrijer dan in de winkel, verkopen was niet echt aan mij besteed, ik was geloof ik te eerlijk, want ik zei tegen de klanten als iets niet zo leuk stond en dat werd door de deftige cheffin niet gewaardeerd, er moest wel verkocht worden...

Op een middag werd ik bij de directie ontboden. Ik weet niet meer of het mijnheer Vroom of mijnheer Dreesmann was, in ieder geval een van de twee.

Hij was nogal klein en troonde achter een enorm bureau, in een schemerige kamer met  glanzende donkere meubels en zo'n tapijt waarin je schoenen diep wegzakten. Het was een eind lopen naar dat bureau en bij iedere voetstap raakte ik meer onder de indruk.

De directeur maakte eerst een vriendelijk praatje en vroeg me daarna of ik bij de Galeries Modernes, ook genoemd De Franse Bazar, een warenhuis in de Reguliersbreestraat,  enkele kledingstukken wilde kopen die bij hen in de reclame waren,  een babydoll en een onderjurk. Dit was uiteraard uit concurrentieoogmerk en ik moest van bepaalde andere artikelen de prijs goed onthouden.
Natuurlijk mocht ik niet zeggen dat ik van V&D kwam en zo werd ik ingezet voor 'bedrijfsspionagedoeleinden'.

Waarom juist ik? Ik denk dat ik er heel onschuldig uitzag, een keurig meisje, en ik kon ook nog eens heel aardig toneelspelen.

Nu zou ik zoiets nooit meer doen, maar toen zag ik er geen kwaad in en was er waarschijnlijk te gezagsgetrouw voor.

Mijn vader was woedend toen ik het thuis vertelde, maar niet zo woedend dat ik ontslag moest nemen, elke extra cent was welkom.
Van mijn salaris heb ik een jurk gekocht die ik op dansles droeg, een zwart/wit ruitje met een grote kraag en zo zwierde ik rond in mijn zelfverdiende geld.



Anneke Koehof ©
2013

vrijdag 2 augustus 2013

ZOMERKAMP


'HET WAS EEN HEL. DE WOLLEN DEKEN JEUKTE EN HET STRO PRIKTE'
 

DEZE HERINNERING SCHREEF IK VOOR
'DE OUD AMSTERDAMMER' EN 'HET GEHEUGEN VAN OOST'.


DE FOTO IS VAN HANNIE VAN PRAAG, IK STA ER ZELF NIET OP,
HET GAAT OM DE KLEDING MET HET FLEVO-EMBLEEM

 
Zomerkamp

Zomers gingen we een week op kamp, in ons geval met Ontspanningsvereniging 'Flevo'.

We gingen met de bus en we waren in het wit gekleed (wit bloesje en rokje of korte broek) .

Het groen-witte Flevo embleem was op de blouse genaaid.

De groepen werden naar leeftijd en sekse ingedeeld. Ik zat dus niet bij mijn oudere en jongere broer in de groep, wat ik maar raar vond, alsof je ineens niet meer bij elkaar hoorde.

De reis ging meestal naar een kampeerboerderij ergens op De Veluwe.

We moesten ons eigen bordje, kroes en bestek meenemen, daarop was een pleister geplakt met je naam. Ook voor een slaapzak moesten we zelf zorgen. Ik geloof niet dat er toen al echte slaapzakken waren en als die er al waren hadden wij ze zeker niet.

Mijn moeder naaide een dubbelgevouwen oude deken, die geen enkele warmte meer gaf, aan elkaar en zo sliepen we in het stro in de koeienstal, want de koeien stonden toen zomers nog gewoon in de wei.

Ik vond het maar een gedoe. Ik had het 's nachts koud, de wollen deken jeukte en het stro prikte. Er werd veel gesjokt door de bossen en de heide, wandelen stond in die tijd hoog in het vaandel en ik haatte wandelen, ik was geen sterk kind, dus altijd moe. Natuurlijk werden er ook veel spelletjes gedaan en sportdagen georganiseerd, ik herinner me de verzengende hitte in golvende zeeën van  zand.

De leiding bestond uit medewerkers die je vaak al kende van een verenigingsactiviteit als handwerken, figuurzagen, wandelen of, in mijn geval, de operetteclub. Die gedroegen zich ineens niet zo vertrouwd als anders, het gaf een gevoel van eenzaamheid.

Zo was 'Zus' Coronel, die bij de Kinderoperetteclub voor de zang was aangetrokken, op het kamp echt zuster, want ze ging mee als verpleegster en droeg het bijbehorende uniform, dat dwong wel het nodige respect af. Er werden heel wat pleisters geplakt en verbanden aangelegd.

Zelf had ik last van zonneallergie en zat onder de rode bultjes die ook nog eens verschrikkelijk jeukten, ik werd dus regelmatig ingewreven met talkpoeder en zag dan spierwit.

Dat, samen met de koude nachten, de wollen slaapzak en het prikkende stro, maakten mijn vakantieweek tot een hel, wat was ik blij als het voorbij was.

Natuurlijk doken we bij terugkomst onder de banken van de 'lege' bus in de heilige veronderstelling dat de gespeelde verbazing van de ouders echt was.

Eenmaal 'teenager' geworden, gingen wij met de boot naar Harderwijk en dan verder met de fiets naar de boerderijcamping waar Flevo die week verbleef.

We hadden toen de leeftijd van de eerste verliefdheden, de stiekeme kusjes en verdriet als het 'uit' raakte, reuze spannend allemaal. De Bonte Avond werd opgeluisterd door een geweldige Play Back show. Flevo had daarvoor een speciale club, dus het was allemaal goed voorbereid.

Al met al mooie herinneringen aan een fenomeen dat niet meer bestaat, al is het alleen al omdat de koeien zomers tegenwoordig op stal blijven...



Anneke Koehof ©
2013

maandag 29 juli 2013

ARDENNERBOMEN


Toen dochter Marleen, die samen met vriend Karst een motorherberg bestiert in Gueuzaine, (Blg), dwars op de weg stond om een enorm wild zwijn te ontwijken 'triggerde' mij dat tot het schrijven van onderstaand verhaal.
Het is gelukkig niet echt gebeurd, dus fictie!







Ardennerbomen
Het is nog vroeg als ik over de slingerweg naar de dorpsbakker rijd; de gasten in onze herberg willen graag verse broodjes.

Ik kan het niet laten om de auto even langs de kant van de weg te zetten om van het uitzicht te genieten: de door houtwallen omgeven velden, met in de verte het donkere woud, waar de Ardennen beginnen.

“Zijn dat nou Ardennerbomen?” vroeg mijn neefje bij een van zijn logeerpartijen.

Boven de velden zweeft een slechtvalk, duikt dan pijlsnel naar beneden en grijpt zijn prooi. Ik slik, het leek zo idyllisch om in dit natuurgebied een herberg te beginnen, maar als stadsmens moet je een hoop leren en niet te fijngevoelig zijn.

Midden in het weiland zit een moervos tussen haar jongen. Ze buitelen in het gras en bijten elkaar onder hoog gepiep in de staart. De moeder is waakzaam, haar neus gaat omhoog en ze vlucht met haar welpen naar het veilige hol.

Plotseling, op nog geen honderd meter afstand, nadert vanuit de struiken een groep wilde zwijnen waaronder een zeug met minstens tien biggen. 

Ah, daarom vluchtte de vos. Ik tel vijf andere vrouwtjes en vertederd kijk ik naar de zwijntjes, die nog in pyjama zijn. Ze lijken niet veel ouder dan een week of drie, een zomerworp. Ze dribbelen eigenwijs achter hun borstelige moeder aan en reiken gulzig naar haar tepels.  

Vreemd, je ziet ze bijna nooit bij daglicht. Ik heb er iets over in de krant gelezen. Door de vele regen van de laatste weken zoeken ze droge gronden op en ploegen die helemaal om. Ze veroorzaken nogal wat schade en worden steeds verder opgejaagd.

Er gaan verhalen dat hertenkalveren zijn aangevallen en honden, zelfs mensen zouden niet meer veilig zijn Ik weet niet wat ik er van denken moet. Men jaagt hier graag en een goed stuk wildbraad is niet te versmaden. Worden de verhalen niet wat overdreven? Toch doe ik ’s avonds het grote hek dicht. 

Met moeite maak ik me los van het tafereel, ik kan mijn gasten niet laten wachten. Bij het starten van de auto hobbelt de groep de dekking in. Ik moet er niet aan denken dat ze zouden worden afgeschoten.

 



Een paar dagen later schrik ik ’s nachts wakker door het aanslaan van de hond. 
Snel stommel ik naar beneden. De hond gaat steeds harder tekeer en springt als een wilde tegen de tralies van zijn kennel, mijn hart klopt in mijn keel.

Ik schijn in de richting van het hek en verstijf, want daar staat een wild zwijn, een keiler van zeker een meter hoog. Zijn enorme slagtanden blikkeren in de lichtstraal, zijn staart beweegt dreigend.

Enkele gasten zijn wakker geworden en hangen nieuwsgierig uit de ramen. 
Veel meer dan kssst, kssst durf ik niet uit te brengen, stel je voor dat hij het hek ramt, met knikkende knieën probeer ik mezelf in de hand te krijgen.

“Heeft er iemand behoefte aan een nachtwandeling?” grap ik naar boven. Er wordt gelachen.

“Ik zet straks een pot koffie,” beloof ik impulsief, wetend dat de gasten te opgewonden zullen zijn om te slapen.

Het enorme dier wroet nog wat rond en besluit dan dat hier niets te halen valt. Op een drafje verdwijnt hij in de duisternis. Ik kalmeer de hond en ga de beloofde pot koffie zetten.

 
De volgende ochtend staat een groep mannen op het pad. Ze dragen jachtkleding en houden dikke stokken vast. Ze staan gebukt en ik begrijp dat ze de sporen van het zwijn onderzoeken. Druk pratend kijken ze in de richting van de oude stal naar boven. Een van hen maakt grote stappen en lijkt de afstand te meten tussen onze stal en de plek van het spoor.

Even later slenteren ze het erf op. Ik bied ze een kop koffie aan en luister naar hun verhaal. Vlak voor onze boerderij blijkt een wissel te liggen, een spoor in de richting van het dorp. Zo’n wissel wordt steeds weer door het zwijn gebruikt en de kans is groot dat ze hem dan vanuit het deurtje in de hooizolder kunnen omleggen, ze hebben er een speciale vergunning voor.

‘Als u meewerkt krijgt u een stuk van het vlees.’ Ze wrijven zich in de handen.

Mmmm, Viande de Sanglier’

“Geen denken aan,” snauw ik. “Hier worden geen dieren vermoord! Je suis contre de la chasse.”

Mais madame, le sanglier est très dangereux!’

Non.“
Schouderophalend en mopperend vertrekken ze. O. ik weet wat ze denken, une Hollandaise, een vrouw ook nog...

 



‘Ça va, Madame?’ vraagt de jonge verpleegster vriendelijk. Ja, het gaat, hoewel alles nog pijn doet. Ik lig hier nu al enkele weken en hoop gauw naar huis te mogen. Hoe dat moet weet ik niet, de auto is total loss. Steeds weer krijg ik het beeld voor ogen van dat enorme zwijn. Ik reed niet eens hard maar kon het dier onmogelijk ontwijken. Zouden ze een feestmaal van hem hebben aangericht?
Zuchtend kijk ik uit het raam, in de verte zie ik de Ardennerbomen…


Anneke Koehof ©, 2008









www.lesarondes.com

woensdag 17 juli 2013

BITTERE PIL






 Dit verhaal schreef ik voor mijn schrijfcursus in 2008.
Ik denk dat het fenomeen inmiddels verdwenen is op de pillenbrug, maar fietsen worden onverminderd gepikt, zo ook de mijne!
Een wel heel toevallige omstandigheid is dat ik er door mijn achterneef, Ruud Koehof, op attent werd gemaakt dat in het woonhuis naast de Oude Kerk een zuster van mijn opa woonde. Ze was getrouwd met een glazenier, die meester was in het restaureren van gebrandschilderde kerkramen en glas in loodramen, o.a. ook voor het Rijksmuseum. Er was vanuit het huis een rechtstreekse verbinding met de kerk. Dank je wel, Ruud!



Bittere pil

Het lijkt wel of het nooit meer zomer wordt, denkt hij, naar de sombere lucht kijkend. Bijna september en wat hebben we gehad? Een enkele mooie dag en meestal was er dan werk te doen. Eigenlijk heeft Anja gelijk, Pluk de Dag zegt ze, maar hij regelt de zaken nu eenmaal graag van tevoren en zit dan met de pest in zijn lijf in zijn te warme werkkamer achter de computer.

Anja gaat haar eigen weg; sinds ze een fiets voor de deur heeft doorkruist ze met een haast kinderlijk genoegen de stad of ze neemt de pont en fietst door de weilanden naar de stille dorpjes in Waterland. Vooral voor Zunderdorp heeft ze een speciaal gevoel: bij een brand kwam de kerktoren naar beneden juist op het moment dat haar grootvader op de verkeerde plaats stond. Een verweerde grafsteen op het kerkhofje herinnert nog aan die gebeurtenis, haar moeder was toen nog een kind.

Vaak kijkt ze naar beneden om met een zucht van verlichting vast te stellen dat de fiets er nog staat met op de bagagedrager het stoeltje voor de kleinkinderen en aan het stuur een mandje voor de boodschappen.

Zelf begint hij er niet meer aan, na twee gestolen fietsen vond hij het welletjes. Voor haar is het een vorm van vrijheid waar ze aan hangt met een verbetenheid die je niet achter haar zou zoeken; dezelfde verbetenheid waarmee ze de cursus ‘Verhalen Schrijven’ volgt, ondanks de wat geringschattende reacties van de omgeving.

“Leuk voor je, het haalt je wat uit je dagelijkse gedoetje,” reageerde de oudste dochter toen ze het hoorde. Verder wordt er weinig of geen belangstelling getoond, maar ze beleeft er veel plezier aan en houdt stug vol, dat vervult hem met trots.

Hij loopt naar het raam en kijkt automatisch naar het fietsenrek onder de boom. Het zal toch niet waar zijn? Hij haalt zijn bril en kijkt nog eens, ja hoor, de fiets is verdwenen. Godverdomme, waarom moeten ze nou net haar fiets stelen en hoe vertelt hij straks dat ze haar symbool van vrijheid kwijt is? Ziet hij nou goed dat het kinderstoeltje er naast staat? Verdomd, ja hoor, dat hebben ze naast de boom gezet, het schorem.

Een gevoel van woede overmant hem, hij besluit de fiets te gaan zoeken; met een beetje geluk staat hij te koop op de Pillenbrug, waar junken, om aan hun dagelijkse shot te komen, hun gestolen waar verkopen.

Snel kleedt hij zich aan en legt een briefje neer. Ze slaapt nog nadat ze vannacht lang heeft liggen lezen, een gewoonte uit haar kindertijd.

“Wie leest roert zijn handen niet,” oreerde haar moeder vroeger, haar daarmee voor het leven een schuldgevoel aanpratend. Als kind lag ze daarom stiekem onder de dekens met een zaklantaarn de enkele in het ouderlijk huis aanwezige boeken voor de zoveelste maal uit te spellen.

Hij rent met twee, drie treden tegelijk de trap af. Als hij nou eens haar fiets pakt? Nee, klojo, daar gaat het toch juist om, dat is net zoiets als je bril zoeken terwijl je hem op hebt.

Natuurlijk vergeet hij zijn strippenkaart, dan maar lopen. Als hij bij de Wallen komt overvalt hem een gevoel van gêne, alsof hij belangstelling zou hebben voor de schaars geklede hoeren in de warme buurt.

Op de Pillenbrug staan nogal wat fietsen tegen de leuning, maar er is geen handelaar bij. Tevergeefs zoekend loopt hij er langs. Eerlijk gezegd zou hij de fiets alleen herkennen aan het mandje. Hij laat de moed al bijna zakken maar loopt toch nog even naar de andere kant en ineens ziet hij de fiets staan. Ja hoor, het is hem, de bevestigingsbeugel van het kinderstoeltje zit er nog op.

“Fiets kopen, meneer?”

Als uit het niets staat er ineens een magere jongen naast hem. Hij ziet er in zijn leren jack minder armoedig uit dan je van een junk zou verwachten. Zeker ook gepikt, denkt hij.

“Kopen? Ik prakkiseer er niet over. Je hebt hem gestolen, hij is van mijn vrouw!”

“ Hoe komt u er bij, ik heb hem zelf net gekocht. Voor vijf en zeventig euro mag u hem meenemen”.

Hij twijfelt, hij gaat daar een beetje betalen voor zijn eigen bezit, maar ja, dan heeft ze wel haar fiets terug. Hij haalt zijn portemonnee te voorschijn en telt het geld met samengeknepen lippen uit. Dan, plotseling overmand door woede, grijpt hij de jongen bij zijn kraag en geeft hem een enorme dreun waardoor deze achterover tegen de fietsen belandt. Bijna op hetzelfde moment wordt hij vastgegrepen door twee politieagenten.

“En wat zijn wij hier aan het doen?”

“Dat ziet u toch, hij heeft de fiets van mijn vrouw gestolen.”

“De fiets van uw vrouw? Nee meneer, u heeft deze fiets net gekocht, dat is heling, daarvoor krijgt u een proces-verbaal en dan speelt u ook nog voor eigen rechter en slaat een van onze mensen neer. Uw identiteitsbewijs alstublieft.”

Dat heeft hij natuurlijk niet bij zich, net als zijn strippenkaart.

“Dit is uitlokking,” briest hij. “Ga godverdomme dieven vangen in plaats van eerlijke mensen te bekeuren, eikel die je er bent.”

“Dat is een belediging van een ambtenaar in functie,” bijt de agent hem toe. We nemen u mee naar het bureau, dan kunt u daar uw verhaal vertellen.

Er vormt zich al een kring belangstellenden om hen heen, echte Amsterdammers, tuk op een relletje. Nijdig probeert hij zich los te rukken.

“En dat is tegenwerking”. Voor hij het weet heeft hij handboeien om en wordt afgevoerd alsof hij de fietsendief is.

-------

“Waarom deed je dat nou?” vraagt ze nadat ze hem zijn paspoort had gebracht en hij haar de zaak, nu toch wat beschaamd, heeft uitgelegd.

“Ja, waarom denk je? Om jou te helpen, natuurlijk. Ik wilde de held uithangen en nu voel ik me de eerste de beste lullo”.

“Maar wel mijn lullo,” antwoordt ze. “Kom, we gaan lekker lopend naar huis, de zon breekt door”.




Anneke Koehof ©
fictie

SPINAZIE Á LA CRÈME

       
 

Spinazie à la Crème


Wat een prachtige middag om er even op uit te gaan.

‘Ik ga een eindje fietsen en neem gelijk de boodschappen mee, heb je zin in iets speciaals?’

Er klinkt wat onduidelijk gebrom, als David aan het werk is wordt hij niet graag gestoord. Ik denk dat ik spinazie neem, lekker roerbakken en dan een visje erbij, daar is hij dol op.

‘Doe je voorzichtig?’ mompelt hij.

Natuurlijk doe ik voorzichtig, je moet wel voorzichtig zijn wanneer je langs de grachten fietst, met al die auto’s en op de rijbaan slenterende toeristen.

Ik mag van geluk spreken dat mijn fiets er nog staat, ik ken mensen die al aan hun vierde toe zijn. Al leg je hem aan de ketting, ze pikken hem toch, waarna de bestolene een gestolen fiets terugkoopt, je ware recycling.

Ik peins nog wat over vanmorgen, de stemming leek een beetje stug. Ik weet hoe het kwam, ik had de radio weer op de populaire zender gezet, had behoefte aan vrolijke muziek.

David heeft daar een hekel aan. Hij luistert het liefst naar de klassieke zender, logisch, muziek is zijn werk. Ik maak me ongerust omdat hij de laatste tijd wat dovig begint te worden, iets dat hij in zijn vak zeker niet kan gebruiken, maar hij is met geen stok naar een dokter te krijgen.

Soms begrijp ik niet dat hij juist voor mij heeft gekozen, hij, die zo belezen is, overal verstand van heeft. O ja, ik ben dol op muziek, maar ik geniet ervan op dezelfde manier waarop ik wijn drink, zonder enige kennis van zaken.

'Dat maakt je voor mij juist zo aantrekkelijk,' zegt hij. 'Ik ben uitgekeken op dat aanstellerige gedoe, het najagen van succes, erbij moeten horen en mee moeten doen'.

In gedachten verzonken ben ik al bijna bij het IJ. Kijkend naar de drukte op het water lijkt het alsof je de zee al kunt ruiken. De schepen geven je een gevoel van avontuur, van weg willen naar verre oorden. Dat gevoel delen David en ik, gek op water, gek op schepen.

Even met de pont heen en weer, de wind door mijn haren, ik zou dat wel een paar keer willen doen, net als toen ik een kind was.

Ik fiets een eindje langs de oever van het IJ. Vroeger waren hier scheepswerven, nu staan er flatgebouwen. Op de banken zitten groepjes vrouwen te babbelen in voor mij onverstaanbare taal, ze lijken geen oog te hebben voor het prachtige uitzicht.

Het begint laat te worden, de lager staande zon schijnt in mijn gezicht. Ik neem de pont terug en daarna de kortste weg naar de supermarkt.

Verdorie, de verse spinazie is op, dan maar een pak diepvries, à la crème. Nu nog even langs de visboer. Ik passeer de verkoper van de Daklozenkrant zonder hem iets te geven en smijt mijn boodschappen in het fietsmandje.

In plaats van mijn gebruikelijke route over de gracht besluit ik binnendoor te gaan, maar in de wirwar van straatjes verdwaal ik bijna. David heeft het me al zo vaak uitgelegd, maar dikwijls vergis ik me nog.

‘Je bent een droomstertje, ’ zegt hij dan vertederd en hij heeft gelijk, ik ben altijd aan het dagdromen en let niet op. Gelukkig, ik herken het plantsoentje. Gezagsgetrouw stap ik af en loop met de fiets aan de hand haastig verder. Als de viswinkel nu nog maar open is…

Plotseling schiet een schaduw vanachter een struik vandaan. Een armoedig uitziende man grijpt mijn stuur en begint eraan te rukken.

'O nee, niet mijn fiets', zeg ik in paniek en houdt het stuur stevig vast.

'Los trut', grauwt hij en ik keer me walgend af van zijn kegel van drank. Dan gris ik het pak spinazie uit het mandje en geef hem een klap op zijn hoofd.

Even staren zijn ogen mij verbaasd en glazig aan, dan zakt hij in elkaar.

Verbijsterd over mijn eigen reactie zie ik hem aan mijn voeten liggen, zijn warrige haardos begint rood te kleuren. O God, dat dit mij nu moet overkomen. Schichtig kijk ik rond, niemand te zien. Met kloppend hart en bevende knieën spring ik op mijn fiets en ga er vandoor.

De volgende morgen, aan het ontbijt, leest David mij voor uit de ochtendkrant:

‘Weer een geval van zinloos geweld, mishandelde man dood in plantsoen gevonden.

Van de dader ontbreekt elk spoor’.



Anneke Koehof ©
 (2008)



fictie