vrijdag 9 mei 2014

WEESPERPLEIN




Weesperplein

De zon schijnt die 1e maart in 1943, het weer trekt zich niets aan van de oorlog.

Hanneke loopt zo dicht mogelijk langs de huizen, alsof ze daar woont en elk moment een portiek binnen kan gaan. Ze is op weg naar de Joodse Invalide, waar opoe is opgenomen, het ging echt niet langer thuis.

Muiderschans heet de straat sinds vorig jaar. Sarphatistraat klinkt te Joods volgens de Duitsers, maar niemand gebruikt die nieuwe naam.


Ondanks de zon draagt ze haar lange shawl, waardoor de zo gehate gele ster aan het oog wordt onttrokken. 

Bijna vier maanden woont ze nu bij haar tante in de Vrolikstraat.

Ook toen kwam ze bij opoe vandaan, ze liep naar huis in de Pretoriusstraat, zag de Duitse legerauto en wist meteen dat het mis was. Er stonden soldaten bij de auto en onder het opwaaiend zeil zag ze de bovenburen zitten. Als aan de grond genageld bleef ze staan.

'Weiterlaufen', schreeuwde een soldaat en gaf haar een por met zijn geweer. Struikelend liep ze door.

Toen ze voorzichtig omkeek zag ze haar ouders naar buiten komen. De kleine Sara op de arm van haar moeder en Gerton aan haar hand. Daarachter haar vader en grootvader, ieder met een koffertje.

Heel even keek haar moeder haar kant op, maar ze wendde gelijk haar blik weer af, alsof ze vreemden waren.

De Duitse soldaat liep een paar stappen in Hanneke's richting.

'Schnell, schnell', riep hij dreigend.

Ze holde naar de Vrolikstraat waar ze buiten adem en overstuur bij tante Geesje aanbelde.

'Kind, kom gauw binnen, wat is er gebeurd?' vroeg haar tante geschrokken.

'Ze zijn opgehaald', snikte Hanneke, 'en wat moet ik nu, wat moet ik nu?'

Tante Geesje trok haar naar binnen en troostte haar tegen beter weten in.

'Jij blijft voorlopig hier,' zei ze, je kan daar niet meer naartoe'.

Tante Geesje, getrouwd met Hanneke's oom, was niet Joods en daardoor

gevrijwaard van deportatie. Om haar niet in gevaar te brengen had oom Hartog zich aangemeld; behalve een briefkaart uit Vught hoorden ze niets meer van hem.

De volgende dag besloot tante Geesje naar de Pretoriusstraat te gaan om wat kleding van Hanneke op te halen, maar de deur was dichtgespijkerd en toen ze door het raam naar binnen keek zag ze dat de huiskamer helemaal leeg was, de gordijnen waren van de roedes gehaald en zelfs het goedkope zeil was van de vloer getrokken.

'Ze hebben al gepulst, hoor ', riep een vrouw die verderop uit het raam hing.

Tante Geesje wist genoeg...

Ze hadden nog een keer een brief gekregen uit Westerbork, waarin haar vader vertelde dat ze naar het Oosten zouden gaan om daar te werken. Het ging naar omstandigheden goed, al huilde Saartje veel, ze kreeg niet genoeg te eten.

Vergeet je opoe niet? schreef haar vader, wij redden ons wel.

Nu was Hanneke degene die opoe zo vaak ze kon opzocht en al had het oude mensje er niet veel weet van, ze vroeg toch naar haar man en dochter en kon dan dreinen als een kind.



Daar is het Weesperplein, met versnelde stap gaat ze richting ziekenhuis maar wat vreemd, ook daar staan legerwagens, dat kan toch niet waar zijn, niet die oude, zieke mensen.

Ze aarzelt, plukt aan haar shawl.

'Ze worden allemaal weggehaald,' zegt een voorbijganger.



Anneke Koehof © fictie

Nawoord

Op 1 maart 1943 werden de patiënten uit de Joodse Invalide op bijzonder wrede wijze weggevoerd;

' Pulsen' Genoemd naar het verhuisbedrijf van Abraham Puls, die de woningen van weggevoerde Joden leeghaalde.



Dit verhaal las ik in het kader van 'Open Joodse Huizen' 4 mei 2014 in de OBA, Amsterdam.

Hollandia Kattenburg : 'DE PROMOTIE VAN MIJN TANTE ROOS'



Mijn tante Roos, 6e van links, met haar collega's in 1938


De promotie van tante Roos

Nadat mijn tante Roos in 1935 haar school had afgemaakt kon ze als 'leermeisje', zo heette dat toen, beginnen op een klein atelier, maar in feite was ze gewoon boodschappenmeisje.

Ze bracht naaiwerk bij thuiswerkers, dikwijls Duits Joodse vluchtelingen, en ze bezorgde kleding bij Maison De Bonneterie, wat ook toen al een deftig modemagazijn was.

Vaak moest ze naar een onverstaanbare oude Pool in de Transvaalbuurt, die knopen kleurde.

Om in zijn werkruimte te komen beklom ze de steile trappen en naarmate ze verder boven kwam stonk het penetranter naar de verfkleurstoffen die in pannetjes stonden te pruttelen. Ze bracht hem lapjes stof, zodat hij de benen knopen bijpassend kon kleuren. Het boodschappenwerk was niet zo leuk, maar het was crisistijd, je pakte alles aan.

Omdat ze zo niets van het naaivak leerde nam ze verschillende andere baantjes aan totdat ze in 1937, ze was toen 17 jaar, solliciteerde bij Hollandia Kattenburg, een textielfabriek waar waterdichte regenjassen werden vervaardigd die toen 'Big Ben' heetten en later bekend stonden onder de naam 'Falcon'.

Ze maakte een goede indruk en werd, weer als leerling, aangenomen op de gummi-afdeling. Daar werd rubber op de naden en tussen de belegsels geplakt door speciale plakkers.

En zo fietste Roosje elke morgen van de Kastanjeweg naar de Valkenwegpont over het IJ. Daar, naast de A.D.M, (De Amsterdamse Droogdok Maatschappij) was het gebouw van de textielfabriek, waar ze de hele dag, het was lopendebandwerk, belegsels aan de jassen moest stikken.

Het beviel haar goed, ze had er leuke collega's en altijd plezier en ze verdiende maar liefst 5 gulden in de week, dat was toen een heel bedrag.

Ze kreeg ook een vriendje, Meier Papegaai. Ze gingen samen uit en bij het afscheid zei mijn tante een keer voor de grap 'Dag schat', en hij antwoordde:

'O Roosje, was het maar echt zo dat ik je schat was'. Hij was stapelverliefd op haar.

Op een middag, toen ze weer eens een afspraakje hadden gemaakt, zei hij:

'Weet je wat ik vanavond aan doe? Ik doe een hoed aan'!

Maar de liefde kreeg geen kans om verder op te bloeien, want al op de eerste dag dat het dragen van een ster verplicht gesteld was, 1 mei 1942, werd hij al opgepakt.



Zijn broer werkte als kelner in de Hollandsche Schouwburg, maar vergat het verplichte witte kelner jasje. Meier holde achter hem aan zonder zijn overjas, waarop de gele ster nog maar net was aangebracht, aan te doen. Hij werd meteen gearresteerd en via de gevangenis in Amstelveen naar Amersfoort vervoerd. De rest laat zich raden...



Hollandia Kattenburg was een joods bedrijf, waar joodse werknemers zich thuis voelden vandaar dat veel joodse werkzoekenden daar graag een betrekking wilden.

In de oorlog speelde nog iets mee: onder dwang van de bezetter werden uniformen gemaakt voor het Duitse leger en daarom waren de joodse werknemers en hun gezinnen voorlopig 'gesperrt' (vrijgesteld van deportatie). Zo voelden zij zich redelijk veilig en hoopten op een snelle afloop van de oorlog.

Maar oorlogsmisdadigers als Himmler, Rauter en Lages wilden aan die regeling een einde maken en uiteindelijk vielen de troepen van de Grüne Polizei, onder leiding van de beruchte nazi-misdadiger Lages, de Hollandia Confectiefabrieken Kattenburg binnen. Alle in- en uitgangen werden hermetisch afgesloten.



Ik vervolg dit verhaal met wat ik heb opgetekend uit de mond van mijn hoogbejaarde tante Roos, zij is een van de twee nog levende personeelsleden die dit persoonlijk hebben meegemaakt.



Op die dag, woensdag 11 november 1942, vielen ze ineens binnen. Ik werkte op de gummi-afdeling, daar kwamen ze het eerst.



De directeur, een vervanger van de eigenlijke directeur, een Verwalter, wilde iets zeggen tegen het personeel, maar hij moest zwijgen.



We werden als schapen en bokken gescheiden, de Joden moesten aan de ene kant gaan staan en wij aan de andere.



Als eerste werd Rebecca Groenteman eruit gehaald, zij was communistisch en dat wisten die Duitsers precies. Ik weet zeker dat dát verraderswerk moet zijn geweest en ik weet ook door wie ze zijn verraden.



Ze hadden lijsten met namen bij zich en de joodse medewerkers werden een voor een afgeroepen. Het was verschrikkelijk.



We hebben uren zo gestaan. Ze kwamen om vier uur in de middag en wij mochten pas om acht uur 's avonds weg.



We zagen onze joodse collega's wegvoeren in vrachtauto's: Marietje Kloot, zij was vaak ziek en ik moest haar dan haar loonzakje brengen. Haar vader was fruithandelaar en ik kreeg de sappigste peer en de meest verse ananas. Saartje Melkman, Arie Swaab, Sjakie Kaas, Lowietje de Groot, hij was chef, Roosje Meents, die elke week bonnetjes verkocht voor de Matzes met Pasen, Jet de Groot, ach zovelen, en we waren nog steeds in de veronderstelling dat ze naar een werkkamp gingen...



En o ja, Janie Beers. Haar zusje Marietje was er niet, ze was pas bevallen. Ik ben nog op kraamvisite geweest en heb er altijd spijt van gehad dat ik de baby toen niet heb meegenomen, maar hoe konden ze weten wat hen boven het hoofd hing, ze waanden zich veilig bij Hollandia Kattenburg.



Toen we eindelijk weg mochten ben ik zo snel ik kon naar de Transvaalbuurt gegaan om gezinnen van personeelsleden te waarschuwen, zoals de vrouw van Sjakie Kaas, ik was daar net binnen toen ze gehaald werden door Nederlandse politiebeambtenaren...

Ik moest mijn papieren laten zien en werd hardhandig weggestuurd, ja zelfs van de trap af gegooid! Volledig overstuur kwam ik die avond op de Kastanjeweg aan.



Het was na die tijd heel moeilijk om weer naar het werk te gaan, maar we moesten door.

Later ben ik cheffin geworden, dat zou nooit gebeurd zijn als de joodse werknemers niet waren opgehaald; het was een promotie met een rouwrand”.



Anneke Koehof ©


Nawoord: Op 11 november 1942 werden 367 joodse medewerkers tezamen met hun familieleden, bij elkaar 826 personen, weggevoerd naar de Duitse concentratiekampen.

Slechts een enkeling kwam terug.

Velen woonden in Amsterdam Oost.



Dit verhaal las ik in het kader van 'Open Joodse Huizen' in de OBA Amsterdam op 4 mei 2014







http://deklassieken.radio4.nl/nieuwsinnoten 

zie mijn keuze van 27 januari 2015



Beste Schrijver/Voorlezer tijdens Open Joodse Huizen/Schrijvers uit Oost,
Vandaag ontvingen we - als organisatoren van de middag op 4 mei in de Javabibliotheek - een persoonlijke brief van Joël Cahen, directeur van het Joods Historisch Museum. De co-organisator van Open Joodse Huizen.
'We kijken terug op een zeer indrukwekkende 3e en 4e mei, met een drukbezochte editie van Open Joodse Huizen. In Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Groningen, Leeuwarden en Tilburg ontvingen wij meer dan 10.500 bezoekers. U zorgde er door uw inspanningen voor dat al deze mensen op een persoonlijke en indringende wijze konden stilstaan bij de 'kleine geschiedenissen'uit de Sjoa in Nederland en wat die - ook vandaag nog - voor ons betekenen. Zelf was ik o.a. aanwezig in de Openbare Bibliotheek Amsterdam op het Javaplein, waar ik diep onder de indruk was van de schrijvers.'

woensdag 16 april 2014

PALMPASEN


Palmpasen 1948
Foto Stadsarchief Amsterdam
 


       Dit verhaal schreef ik op Palmpasen voor
       Het Geheugen van Oost

 













Palmpasen

Als ik vroeger op Palm Zondag  naar mijn oma ging, ze woonde op de Kastanjeweg vlakbij de katholieke  Bonifatiuskerk, kwam ik vaak een optocht tegen van kinderen, allemaal op hun paasbest gekleed en ze droegen een palmpaasstok, in de vorm van een kruis.

De ene stok was nog mooier dan de andere. Ze waren omwonden met crêpepapier in allerlei kleuren.

Ook werd er 'levend' groen gebruikt, er hingen mandarijnen en eieren aan en bovenop elke stok prijkte een broodhaantje.

Omdat ik niet katholiek was opgevoed begreep ik niets van de betekenis van het kruis, het brood, het kraaien van de haan, de palmtakken en de eieren. Wel wist ik dat de stokken na de kerkdienst naar zieken en bejaarden werden gebracht, in dit geval denk ik naar het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis aan het Oosterpark.

O, wat was ik jaloers op die kinderen. Ik wilde ook zo'n mooie stok maken, maar ik zou er niet over prakkiseren om hem weg te geven. Ik wilde maar één ding en dat was mijn tanden zetten in zo'n haantje. Wat zou dat lekker smaken, ik proefde het verse brood al op mijn tong.

Nu weet ik dat Palmzondag het eind van de vastentijd inluidde, nou, dat zou voor mij dan mooi zijn uitgekomen, want ik was een altijd hongerig kind.

Mijn vriendje kreeg er ook een toen hij in het ziekenhuis lag. De stok werd aan het voeteneinde van zijn bed vastgebonden. Omdat zijn amandelen waren verwijderd, kon hij al dat het lekkers niet eten en er alleen maar naar kijken...

Gisteren lagen de haantjes uitgestald bij de bakker; ik kocht er een paar en zette er meteen mijn tanden in.

Dat viel even tegen, ik vond het een droog en smakeloos broodje, weer een illusie minder...



Anneke Koehof ©

13 april 2014



Palmpasen 1955
Foto Stadsarchief Amsterdam



http://www.geheugenvanoost.nl/89393/nl/palmpasen







woensdag 9 april 2014

MEE NAAR DE TUIN


Tuincomplex aan de Ooster Ringdijk
Collectie Stadsarchief Amsterdam
 
Ik schreef deze sfeertekening uit mijn vroegste jeugd voor
Het Geheugen van Oost
 
 
 
 
 
 
 
 
Mee naar de tuin

Mijn pleegouders, waar ik tijdelijk woonde omdat mijn eigen moeder vlak na mijn geboorte was overleden, hadden een tuinhuisje aan de Ooster Ringdijk in Amsterdam.

Het tuinhuisje werd na de oorlog opnieuw opgebouwd, want veel huisjes werden, bij gebrek aan brandstof, in het noodkacheltje opgestookt.

Het huisje van mijn pleegouders heette 'Liberty', de naam zegt genoeg...

Regelmatig toog mijn pleegvader op zijn fiets naar de volkstuin en keerde pas tegen etenstijd terug, met fietstassen vol groenten en fruit en vaak ook een bos bloemen.

Soms, op een warme dinsdagmiddag, als hun melkzaak gesloten was, mocht ik mee naar 'de tuin'. Ik herinner mij die zwoele middagen als een prettig soort verveling.

Als we aankwamen was mijn pleegvader, met wit katoenen pet op, al druk aan het schoffelen in zijn tuin waar hij van alles verbouwde.

Vooral de bonen aan de lange stokken met de daar tegenop groeiende wit/roze lathyrus intrigeerde mij, ik vond de tere bloemen op danseresjes lijken.

Natuurlijk moest ik uitkijken waar ik liep.

'Pas op mijn aardbeienbed,' riep mijn pleegvader terwijl hij met een rode zakdoek het zweet uit zijn ogen veegde. Vreemd, ik zag helemaal geen bed...

Spannend wat er zomaar uit de grond kwam; soms mocht ik een wortel plukken. Ik spoelde de aarde af bij het kraantje verderop, want in het tuinhuisje was geen water, gas of licht. Alles ging met de hand, geen enkel geluid verstoorde de stilte.

Thee werd gezet op het oliestelletje, waarvan de geur het warme huisje vervulde. Je moest wat langer wachten tot het water kookte, maar de thee smaakte daar anders, veel lekkerder.

Voor het huisje stond een withouten bank, daar zat ik dan loom, met een ouderwetse zonneklep op, tussen mijn pleegouders. Vogels zongen, bloemen geurden, mijn pleegvader rookte zijn pijp en ik zat daar gewoon gelukkig te zijn.

In de winter genoten we van de geweckte groenten en fruit uit dit kleine lustoord, ik in het bijzonder van die heerlijke, zoete witte lange peren, waarvan het sap langs je kin droop en het water me nu nog in de mond loopt.



Anneke Koehof (1943)

geschreven op 8 mei 2014 ©







woensdag 2 april 2014

INDISCHE HAPJES


Foto c

Nederlands-Indische kinderen met hun baboe
Collectie Tropenmuseum
    De opdracht was om een regel uit een  boek
    als eerste zin voor dit verhaal te gebruiken.

    Op deze manier ontstonden voor de schrijfgroep
    verschillende verhalen met een zelfde beginregel.

    We konden kiezen uit twee regels,
    de eerste gebruikte ik  als beginzin en de  tweede
    verwerkte ik in het verhaal.
    (Beide regels zijn onderstreept).
    Mijn verhaal speelt in 1980 en is fictief.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Indische hapjes 

In het voorjaar is ze gekomen. De onmacht om mij tegen haar te verzetten maakte dat ik die strijd al bij voorbaat had verloren.

Mijn tante Zus is een opvallende verschijning.

Zomer en winter draagt ze een lange zwarte mantel en een, eveneens zwarte, breedgerande hoed, die haar gezicht half bedekt.

Haar witgrijze haar hangt in heksachtige slierten over haar schouders. Voorbijgangers kijken om, stoten elkaar aan en wijzen.

Toen ze haar komst aankondigde probeerde ik er nog onderuit te komen; zou de treinreis niet te vermoeiend zijn?

'De hemel staat in het teken van de Vissen, dan moet ik reizen ja, en waar kan ik anders naar toe?'

'Nou ehhhh, naar Ymke misschien?' probeerde ik.

'Geen sprake van, zij is Steenbok en het is er zooo koud. Jij bent Boogschutter en bovendien mijn lievelingsnichtje. Ik had gedacht mijn verjaardag bij jou te vieren, je hebt zo'n fijne grote keuken. Ik word vijfenzeventig, dan nodig ik al mijn Indische vriendinnen uit en jij maakt een heerlijke rijsttafel, ja!'

'O nee toch,' protesteren de kinderen als ik het onder het avondeten vertel.

'We gaan niet naast haar lopen hoor!'

'Help me nou maar met de kamers,' zucht ik.

'Wanneer leer je nu eens nee te zeggen,' moppert mijn man 's avonds in het smalle logeerbed. 'Dit gaat weer weken duren en mevrouw eist doodleuk de beste kamer.'

Hij heeft gelijk, maar ik kan nu eenmaal niet tegen haar extreme gedrag op. Commanderen zit haar, als dochter van een rijke planter in het Koloniale Nederlands-Indië, in het bloed en ze behandelt mij als haar vroegere baboe.

De volgende morgen staat de taxichauffeur met armen vol koffers op de stoep. Tante schrijdt naar binnen en laat het aan mij over om hem te betalen.

'Dank je kind, ik zal het goed met je maken,' zegt ze en ontneemt me als altijd ogenblikkelijk de leiding over mijn huishouding.

Ondanks hun tegenzin komen de kinderen direct weer in haar ban. Ze vertelt bloederige 'stille kracht' verhalen waar ze nachtmerries van krijgen en legt de kaart om hen de toekomst te voorspellen.

Op haar verjaardag, twintig maart, de woonkamer heet als een oven, lijkt het wel een kippenhok.

'We zijn met de wagen uit Den Haag gekomen, luitjes...'

'We worden ouder, ja...'

'De jaren vliegen, weet je...'

'Toetie is al weduwe van Faas. Kassian!...'

'Adoe, wat een lekkerrre sàteh...'

'Toch niet die van Kokkie, hooooorrrr...'

'Soeda.'

Verhit presenteer ik mijn Indische hapjes en ga rond met de sherryfles.

De dames nippen, kirren, nippen, snateren, nippen, kwebbelen en giechelen zich terug in hun Indische kindertijd. Mijn eigen kinderen vluchten de tuin in.

Plotseling vliegt hun rode bal door het openstaande bovenraam en stuitert tussen de kakelende dames, die gillend opvliegen.

'Adoe, adoe, de geest van Faas,' roepen ze en voordat ik het weet zijn ze in paniek vertrokken.

Als een beledigde diva stampt tante naar boven en pakt haar koffers.

Opgelucht zie ik haar taxi de straat uit verdwijnen.

Morgen staat de hemel in het teken van de Ram.

Anneke Koehof ©

zaterdag 29 maart 2014

VOORJAARSNACHT (Tanka)


 
Voorjaarsnacht

Ik kon niet slapen

Maar een zingende merel

hield mij gezelschap

En zong voor mij alleen zijn

allermooiste liefdeslied!

 
Anneke Koehof ©  29 maart 2014

woensdag 5 februari 2014

KLEUR


Kleur

Mijn favoriete kleur is rood en heeft op mij dezelfde aantrekkingskracht als een zilveren lepel op de diefachtige ekster.

Wanneer ik op zoek ben naar een boek zal een rode omslag of een rood detail daarin een belangrijke rol spelen bij mijn keuze; gelukkig ben ik zelden teleurgesteld in de inhoud.

Ook in de inrichting van mijn huis is veel rood te vinden en in een tekst wordt het woord 'rood' er als het ware uitgelicht.


Ik vond eens een Rode Lijst- stempel en de verleiding was groot om er een vuurrood inktkussen bij te kopen en deze dan onder mijn correspondentie te gebruiken, maar om nu iedereen als 'bedreigde diersoort' te bestempelen...                                      

Zou het een fascinatie zijn of een afwijking?

De film 'Don't Look Now', naar de novelle van Daphne du Maurier, waarin de kleur rood een prominente rol speelt, staat in mijn geheugen gegrift. Wie herinnert zich niet de geheimzinnige dwergachtige verschijning in het rood, waarin de hoofdpersonen hun verdronken dochtertje menen te herkennen?
En 'Het Masker van de Rode Dood', een vertelling van Edgar Allan Poe,
vind ik alleen al door het noemen van die kleur intrigerend.
Om een besmettelijke epidemie, 'De Rode Dood', te ontlopen, besluit Prins
Prospero zich met duizend uitverkorenen terug te trekken in een geheel vande buitenwereld afgesloten abdij.
Hij voelt zich onaantastbaar en geeft een gemaskerd bal, dat zich afspeelt in
zeven vertrekken, elk met hun eigen inrichting en kleur. Een van de zalen is
zwart en wordt verlicht in dieprood scharlaken. Tegen de wand staat een
grote houten klok, die elk uur luid en doordringend de tijd aangeeft, waarbij
de gasten verstarren en het orkest zwijgt. Om middernacht verschijnt een ongenode, geheel in het rood geklede gast, met een angstaanjagend masker. De ontknoping laat zich raden, het is De Rode Dood waaraan alle aanwezigen ten prooi vallen.

Ook als meisje was ik al dol op die kleur. Bij ons in de buurt was een soort Winkel van Sinkel, waar ik een rood schemerlampje in de etalage ontdekte.
Dat wilde ik kopen voor de verjaardag van mijn moeder, maar eerst moest ik het geld ervoor nog bij elkaar sparen. Bang dat het verkocht zou worden vroeg ik de eigenaar het voor mij te bewaren.









Als ik er een boodschap moest halen knipoogde hij en wees naar het hoekje waar hij het lampje voor me had weggezet; op het prijskaartje stond met grote letters 'verkocht'.
Eindelijk was mijn moeder jarig en had ik genoeg gespaard. De vriendelijke verkoper pakte het lampje voor me in zijn mooiste geschenkpapier.
Trots gaf ik het cadeau aan mijn moeder, ze pakte het uit en slaakte een kreet van afschuw.

'Je denkt toch niet dat ik dit ga neerzetten? We wonen hier niet op de wallen!'

Ik was diep teleurgesteld en begreep er niets van, hoe kon ze zo iets moois versmaden?
De volgende dag bracht ze het lampje terug naar de winkel en ruilde het voor een snijbonenmolen, een groene...



Anneke Koehof ©

januari 2014


'Kleur' was een opdracht van mijn schrijfgroep.