dinsdag 17 juli 2012

DE KINDEROPERETTE


 


DE KINDEROPERETTE

Op zaterdagmiddag ging ik naar de kinderoperetteclub. De hele week leefde ik er naar toe en ik was als de dood mijn moeder te mishagen, omdat een verbod om te gaan dan onverbiddelijk boven mijn hoofd hing. Vele tranen heb ik gehuild wanneer de straf toch werd uitgevoerd, je kon niet altijd lief zijn.
De kinderen uit de buurt werden op zaterdagmiddag klaargestoomd voor de jaarlijkse uitvoering van de operetteclub. Ze waren dan een poosje van de straat, vader kon een welverdiend slaapje doen na een week hard werken en moeder deed de boodschappen.
Met eindeloos geduld werd de kinderen geleerd dat ze niet moesten zeggen: 'Daar komen de segeuners, se maken me siek', maar: 'Ze maken muziek'. .
Eén jongetje werd een zin geleerd met bijbehorende gebaren. Hij was kabouter en moest met zijn hand boven zijn ogen op de uitkijk staan en zeggen: “Ik zie iemand komen, zou het Prins Ottokar zijn?” Die combinatie van handelingen viel niet mee en hij keek belangstellend toe hoe het hem werd voorgedaan. Omhoog kijkend naar de toneeljuf sperde hij zijn mond, als in een lange gaap, steeds wijd open.
“Sta je me nu in de maling te nemen?” vroeg ze. Maar nee, hij had pijnlijke ruwe lippen waar hij steeds aan likte, en dit bracht verlichting.
Uiteindelijk was de uitvoering dan daar. De zaal zat helemaal vol en de spanning was groot. Kabouters, de hofhouding, elfen en konijnen holden achter het toneel nerveus door elkaar tot wanhoop van de leiding.
“Juf, mag ik effe plasse, ik moet so nodig,” vroeg een konijn. Nee, dat kon niet. Ze moest het maar even inhouden, anders moest dat hele pak weer uit.
Na de voorstelling werd aan een van de jongens, wonderwel getemd en helemaal in zijn rol als lakei des konings, gevraagd hoe hij het had gevonden.
“Hartstikke tof was het, alleen, d’r hep een kenijn in se pak gepiest…”.

Anneke Koehof ©

Deze herinnering publiceerde ik op Het Geheugen van Oost in januari 2010

dinsdag 3 juli 2012

KINDERSPEL



In die naoorlogse jaren had je niet zoveel. Spelen deden we buiten.
Touwtje springen, tollen, 'dieffie 'met verlos, schuilhokje, hinkelen... alles in een bepaalde periode.
Je wist eigenlijk nooit wanneer zo'n rage begon, ineens was 't er...
Dan werden tol en zweep tevoorschijn gehaald en het was de kunst om de tol zo lang mogelijk draaiend te houden, zelfs de stoepen af en op. Zo ging ik tollend naar school, van de Baweanstraat naar de Zeeburgerdijk. Soms lukte het me om zonder onderbreking tot de Molukkenstraat te tollen.
Plotseling was het hinkeltijd. Er werden banen gekrijt. In bepaalde vakken mocht je wel of juist niet springen, het was een behendigheidsspel, hoofdzakelijk beoefend door de meisjes.
Dan was het ineens weer knikkertijd. Je had diverse soorten knikkers, zoals de grote bonken, lodders of kleine uppies. Een bonk was tien uppies waard en er was een levendige ruilhandel, waarbij ruilen vaak huilen betekende. De knikkers werden in de “pot” gerold, een met de vinger getrokken gleuf tussen twee straattegels. Wie de laatste knikker in de pot gooide mocht alles houden.
Je had spelletjes voor jongens of voor meisjes. Hoogstens mocht je bij het cowboytje spelen indianenvrouw zijn, die werd gevangen door de grootste jongen die natuurlijk 'Rooie Roggers' was. De rolverdeling werd door de jongens onderling bepaald. Een enkele keer waagde een meisje het te vragen om mee te mogen doen.
Meiden doen niet mee.’ Een pruillip.
‘Dan doe ik ook niet mee, het is me sussie en ik moet op der passe,' zei haar broertje.
As we maar we geen last van d’r hebbe’.
Tevreden vertrok de groep naar 'Het Jodemanussie', de eeuwenoude begraafplaats bij de ingang van het Zuiderzeepark.
Eerst moest je over een hoog hek klimmen, waar menige broek bleef hangen aan de vlijmscherpe punten. Het was zaak de parkwachter, die met een bouvier naast de fiets zijn rondjes maakte, te ontlopen. Tussen de oude en verweerde grafstenen werd de strijd tussen cowboys en indianen gestreden tot de schemer inviel en de moeders allang uit het raam hadden geroepen.

Anneke Koehof ©                           Foto stadsarchief Amsterdam

Dit verhaal heb ik eerder gepubliceerd op Het Geheugen van Oost in 2009.