zaterdag 8 september 2018

HET EINDJE VAN DE DAM




Toen ze het karakteristieke huisje op het Eindje van de Dam in Lemmer wilden afbreken kwam Lemmer in het geweer. Het huisje moest blijven! Gelukkig luisterde de Gemeenteraad en het huisje plus omgeving zijn teruggebracht in de oude staat. Ten behoeve van 'Nazomeren',  een jaarlijks evenement in Lemmer, daagde de Stichting Dorpsbelang de liefhebbers uit om hun mooiste herinnering, anekdote of gedicht te schrijven over Het Eindje van de Dam. Ik heb en had vele herinneringen, o.a. mijn eerste vakantiekus in de luwte van het huisje, het zwemmen, kijken naar de hardzeilerij, maar de meest emotionele herinnering is het verhaal dat ik instuurde en waarvan een gedeelte is gebruikt op een inspraakavond in de Gemeenteraad van Lemsterland. Dit en andere verhalen en gedichten zijn voorgelezen tijdens een bijeenkomst in de Hervormde Kerk van Lemmer op 7 september 2018.


En dit is het resultaat: Deze prachtige foto plaats ik met toestemming van Henny van den Berg .




Eindje van de Dam  

Mijn moeder, Baukje Visser, werd op 24 juni 1911 geboren in Lemmer aan Het Leeg.
In 1946 trouwde ze met mijn vader, een weduwnaar met twee kinderen uit Amsterdam en in 1947 werd mijn broer Rens geboren.
Het was niet altijd makkelijk, soms botsten Amsterdamse en Friese karakters,
maar toch hield het huwelijk 57 jaar stand.
Lemmer was bij ons thuis vaak het onderwerp van gesprek.
Mijn moeder vertelde graag over haar jeugd en zodoende raakten wij vertrouwd met haar verhalen over de Zeedijk, Het Leeg, de Schans, de haven, het Skieppedykje, de vuurtoren en uiteraard ook 'it Eintsje fan 'e Daam'.
Door regelmatig familiebezoek konden wij kinderen de Friese taal al aardig verstaan, dat moest ook wel, want zodra er familie uit Lemmer over was, werd er thuis Fries gesproken, daar was mijn moeder strikt in.
We brachten ieder jaar onze zomervakantie door in Lemmer. De overtocht met de Jan Nieveen was niet altijd een feest, met zwaar weer werden wij zeeziek bij de Val van Urk, maar dat was gauw vergeten als we na uren varen de kustlijn van Lemmer zagen opdoemen.
Kijk, daar was de schoorsteen van het stoomgemaal en de kerktoren aan de Schans, de vuurtoren... Wanneer we Lemmer dan eindelijk binnen voeren met links het huisje op het Eindje van de Dam en verderop de Lemstersluis knepen onze strotten zich samen van spanning en ontroering!
Wat hadden we heerlijke vakanties in Lemmer en wat genoten we van de toen nog onderlinge hardzeilerij tijdens de kermisweek! We hoorden het kraken, kreunen en vloeken als de bocht om 'it eintsje' moest worden genomen. De prijsuitreiking na afloop in het Nutsgebouw met het Friese Volkslied, zullen we nooit vergeten.
Hoe ouder mijn moeder werd, hoe meer ze terugverlangde naar de Lemmer.
Toen het, op haar 97e jaar, geheel onverwacht zover was gekomen, werden de rode rozen op haar kist nog dezelfde dag op het familiegraf van haar ouders gelegd.
Ruim zes weken na de crematie zijn we met haar as in een luxe koker naar Lemmer getogen.
We wandelden naar 't Eintsje fan 'e Daam. Er stond een stevige wind en we moesten elkaar vasthouden om niet van de schuinte te vallen. Het water klotste over de oude door de golven glad gepolijste basaltstenen. 
Voorzichtig strooiden wij de as in het water maar we konden niet voorkomen dat een klein gedeelte terug woei op onze schoenen en tussen de keien terecht kwam. De meegebrachte bloemen en een piepklein houten Lemsteraakje vergezelden haar as in de richting van de oude haven, al gauw dreef het meters van de kant.
Een werkschip naderde, de schipper begreep welke plechtigheid zich op dit uiterste puntje van de dam afspeelde. Voorzichtig stuurde hij zijn schip rondom de bloemen en het houten aakje en voor hij doorvoer blies hij drie maal respectvol met de scheepshoorn.
Een mooiere thuiskomst hadden wij onze moeder niet kunnen geven...


Anneke Koehof ©
26-08-2018

De LE 64, het vissersschip van mijn moeders familie, passeert tijdens de
onderlinge hardzeilwedstrijden Het Eindje van de Dam
de foto is van Marten Meester





zondag 11 maart 2018

STERRENBEELD




Dit verhaal heb ik in herziene vorm ingestuurd naar de schrijfwedstrijd van 'Schrijvers uit Oost'.
Helaas niet in de prijzen gevallen...










Sterrenbeeld
Hij bespiedt haar in de schaduw van de bomen.
Zij heeft zich brutaalweg zijn schuilplaats aan de rand van het Flevopark toegeƫigend. Onverstoorbaar ligt ze in de beschutting van een oude grafzerk op een bed van koperkleurig herfstblad en gaat geheel op in het bestuderen van de hemel.
De nacht is helder en daar, noordwaarts, schuin onder de Kleine Beer, beschermd door de Draak en vlak onder de Zwaan, bevindt zich haar naamgenote, aan wie ze zich zo graag spiegelt. Als de heldere najaarsnacht plaats moet maken voor flarden ochtendmist zingt ze zacht en verlangend een lied.
Hij overziet de situatie. O, wat weet ze goed dat ze mooi is in haar helderrode jas, die aan de onderkant geraffineerd overgaat in een rozige glans. Haar hals en lippen kleuren bleekwit in het omfloerste zilveren schijnsel van de maan, haar ogen zijn omrand met eyeliner en op elke wang is, vlak onder het oog, een zwarte traanvormige vlek getekend. Aan haar voeten draagt ze donkere sokjes.
Ze rekt zich omstandig uit, verlaat het knisperend bed en verdwijnt in de nacht. Ze passeert hem rakelings en als ze hem heeft opgemerkt dan laat ze dat niet blijken, maar haar bedwelmende geur blijft in zijn neusgaten hangen.
Zal hij haar achterna gaan? Nee, hij heeft zijn trots.
Maar wat als ze een ander tegenkomt, een knappe donkere vent, misschien tippelt ze daar wel op. Hij is een gewone jongen, een beetje kleurloos, met een lichte huid, niet klein of onknap. En hij heeft haar wat te bieden! Een woonplek met eigen ingang, niks te delen met anderen. Hij moet hollen om haar in te halen.
Ze heeft zich verstopt achter een bosje en als hij haar bijna voorbij loopt komt ze plotseling tevoorschijn.
'Haha, gefopt.' Ze heeft een hoge stem. Lang kijken ze elkaar alleen maar aan en
dan begint het aloude spel van aantrekken en afstoten. 
Ze omhelst hem, maar als hij reageert dartelt ze het pad af totdat ze zich weer door hem laat inhalen.
'Waar kom je vandaan,' fluistert hij in haar oor, 'ik heb je hier nooit eerder gezien.'
'Daar, over het water.'
'Maar dat is toch gevaarlijk, die brug en al dat verkeer?'
'Ik ben niet bang,' antwoordt ze. 'Mijn moeder vindt me een droomster, maar ik loop echt niet in zeven sloten tegelijk. En bovendien neem ik een andere route.'
'Welke dan?' Maar dat vertelt ze niet, dat is haar geheim.
Hij bewondert haar, wat een meid!
Met wiegend achterwerk gaat ze hem voor.

In de koele herfstnachten vrijen ze in de buitenlucht en pas tegen de ochtend gaan ze naar zijn woonplek, een lange gang met aan het eind een kamer, waar ze de dagen luierend en slapend doorbrengen.
Hij verwent haar met de heerlijkste hapjes, waarvan ze zich gewetenloos geen enkele keer afvraagt waar hij die vandaan haalt.
Soms verdwijnt ze een dag of twee voor een bezoekje aan haar moeder en zusjes, maar ze wil hem niet mee hebben. Ongerust maakt hij zich niet meer, want ze komt steeds weer terug.
Als de avonden kouder worden blijven ze wat vaker binnen, ze is onrustig, heeft nukkige buien, snauwt hem af en vraagt hem meer eten mee te brengen. Hij kan het bijna niet aanslepen en al gauw is er geen hap meer in voorraad, hij moet bijna dagelijks uit stelen om haar tevreden te houden.
Tot die keer dat het bezoekje aan haar moeder wel erg lang duurt, hij wacht en wacht, loopt steeds weer naar de verlaten begraafplaats en zoekt tegen beter weten in achter de grafzerken in de hoop dat ze plotseling tevoorschijn komt, haha, gefopt! 
Ze zal toch niet met een ander...  Hij durft de gedachte nauwelijks toe te laten.

Hij hoort niet het snerpend remmen, ziet niet hoe zij wordt meegenomen, leest niet het bericht dat een jonge drachtige vos, waarschijnlijk over de tramlijn vanaf IJburg, naar het Centrum is gelopen en daar aangereden werd aangetroffen.
Maar uiteindelijk heeft hij het begrepen.
's Nachts, op zijn koperkleurige bed, huilt hij droevig naar de maan, speurt de hemel
af en daar, noordwaarts, schuin onder de Kleine Beer, beschermd door de Draak en vlak onder de Zwaan ziet hij zijn geliefde Vosje.

Anneke Koehof, maart 2018 ©




















zondag 4 februari 2018

MIJN TANTE WAS JARIG















Mijn tante 98 jaar

Tante Roos was jarig
Acht en negentig werd ze
Wat een feest, ze zijn
allemaal geweest, althans in
haar geest, want ze kwamen niet...

Tante Roos, zo broos
teruggetrokken in haar
herinneringen
waardoor het verleden aan
het heden geen plaats meer biedt

Waarom dit lijden 
verlengen, kon ik haar maar
brengen naar de plek 
waar ze ter wereld kwam, naar 
haar geliefde Amsterdam

Anneke Koehof ©    

23 januari 2018






woensdag 3 januari 2018

EEN CLOSETROLLETJE VAN 73 JAAR OUD!




Elk jaar als de kerstspulletjes tevoorschijn komen vertelt Rob  mij over de kerstversiering die hij maakte op de kleuterschool.
Het was in de oorlog, 1944, in de hongerwinter...
Ik vond dat dit verhaal 'vereeuwigd' moest worden en zette het op het 'Geheugen van Oost'. Zo wordt het museaal bewaard, dat mag ook wel voor zo'n oud closetrolletje...










Een closetrolletje van 73 jaar oud!

Rob was net 4 jaar toen hij voor het eerst naar de kleuterschool ging, de Montessori Kleuterschool in de Madurastraat.
Het was oorlog 1944.
Nadat zijn eerste juf plotseling wegbleef kreeg hij juffrouw Pellekom. Dat was een pittige juf, met orde houden had ze geen enkele moeite.
Ondanks de hongerwinter heeft Rob warme herinneringen aan het eerste kerstfeest op zijn kleuterschool.
De klas was versierd en er stonden kaarsjes op de tafeltjes, waarvan het niet opgebrande deel mee naar huis mocht, daarmee thuis wat warmte suggererend.
Er was weinig te eten en er was geen brandstof.
In het Zuiderzeepark had een ware kaalslag plaatsgevonden, alles wat maar enigszins brandbaar was, was afgezaagd of omgehakt.
In aanloop naar de kerstviering hadden de kinderen hun eigen kerststukjes mogen maken en die mochten ook mee naar huis!
Die kerstversiering gaat nu al 73 jaar mee en heeft al in veel kerstbomen in diverse woonkamers gehangen. Ook dit jaar heeft het weer een prominente plaats aan het kleine kunstkerstboompje.
Rob is er zeer aan gehecht en wat is het nu helemaal? Een closetrolletje, beplakt met rood crepepapier.
Straks, met Driekoningen, gaat het rolletje weer voor een jaar de doos in, jaren die steeds korter lijken te worden...

Anneke Koehof, december 2017 ©











maandag 30 oktober 2017

HERFSTLICHT

Novembersfeer aan de gracht
Een sfeertekening geschreven voor De Jordaan en de Gouden Reael














Na de eerste najaarsstorm met veel regen, waarbij de bomen angstvallig hun groene blad vasthielden, werd het plotseling weer zomer, de warmste oktoberdagen sinds honderd jaar volgens het KNMI.
De toeristenstroom kwam opnieuw in volle hevigheid op gang en vanaf het terras aan de overkant schalde het vrolijke gelach over de gracht.
Natuurlijk gingen we naar de markt, waar het behalve naar fruit, kaas, vis en broodjes warme worst, ook geurde naar herfstbloemen. We namen een bos van die mooie grote bronskleurige chrysanten mee, want al leek het zomer, het was tenslotte oktober. Bijna twee weken lang stonden de bloemen tussen wat eikenblad op tafel te prijken en ze verspreidden hun prikkelende najaarsgeur. 'Op de markt is uw gulden een daalder waard' werd er vroeger gezegd en in dit geval klopte dat ook.
Het 'bootsmannetje' bezocht onze gracht, u weet wel, die met die trompet en klassieke muziek aan boord. Doorgaans is zijn muziek in harmonie, maar nu leek het niet helemaal gelijk op te gaan... Evengoed was men gul met het applaus, mooi weer en een goed humeur gaan meestal samen.
Ook de bootjes kwamen weer van de kant, nog even voor de laatste keer genieten, kijken en bekeken worden.
Voor ons raam, bij de eettafel, hing een kunstig gesponnen web. De spin hield zich schuil, maar zodra een vlieg of mugje onvrijwillig en wanhopig aan het web zat vastgekleefd schoot de spin tevoorschijn en verorberde razendsnel het lekkere hapje. Zo kregen we de natuur bijna op ons bord geserveerd. Zelf aten we die dagen sla en tomaten, nog geen winterkost.
En ineens waren daar de nieuwe lantaarnpalen. Of eigenlijk de nieuwe armaturen op de oude palen. Een beetje een vlag op een modderschuit, maar dat klinkt misschien wat muggenzifterig. De vorm is prachtig, koninklijk bijna. Maar dan het licht, led licht ongetwijfeld, dat is zuinig, maar wat is het wit. Meedogenloos wordt, wat door de oude lampen mooi diffuus en zachtgeel werd beschenen, nu zo schel verlicht, dat het bijna pijn doet aan de ogen. Natuurlijk, het zal wel veiliger zijn, maar de romantiek aan de gracht is met dit kille licht ver te zoeken...
Inmiddels heeft de herfst met veel stormgeweld en regen toch echt haar intrede gedaan, ik zou zeggen : tussen de buien door blijven genieten!


Anneke Koehof © 1 november 2017



 diffuus en zachtgeel licht

maandag 16 oktober 2017

DE GRAFSTEEN VAN MIJN OPA

Johannes Casper Ligtermoed;
14-11-1885 – 16-04-1925

Johanna Catharina Engelgeer;
16-08-1884 – ca. 1927
Mijn grootouders
De grafsteen van mijn opa
'Kijk dat haantje eens mooi schitteren in de zon,' zei ik, wijzend op de kerktoren van Zunderdorp. We zaten in het bejaardenappartement op de achtste verdieping van het Korthagenhuis, met uitzicht over Landelijk Noord.
'Weet je dat daar een stukje van jouw familiegeschiedenis ligt?' antwoordde mijn vader.
Mijn moeder keek wat ongemakkelijk. Ze was niet dol op verhalen van 'voor haar tijd'. Zo ging het nu eenmaal vroeger, het verleden werd onder het tapijt geschoven; een pijnlijk onderwerp zoals de dood van mijn eigen moeder ten gevolge van mijn geboorte, kwam nooit ter sprake, ik moest van een babbelende buurvrouw horen dat mijn moeder niet mijn echte moeder was...
Zo kwam ik dus, zelf al oma, achter de tragische dood van mijn grootvader van moeders kant. Hij werd getroffen door de brandende kerktoren van Zunderdorp op 14 april 1925. De eigenlijke oorzaak van de brand was blikseminslag, zoals blijkt uit het hieronder gedeeltelijk door mij overgenomen artikel uit het Algemeen Handelsblad.
Algemeen Handelsblad 16-4-1925 : De toren van Zunderdorp in brand.
Tijdens het korte onweer, dat zich gisteren boven onze stad heeft ontlast, is de oude toren van Zunderdorp door het hemelvuur getroffen.” Een agent ernstig gewond.
Reeds voor de beroepsbrandweer was gewaarschuwd kwam de torenspits met donderend geweld naar beneden vallen. De brandende balken kwamen juist op de plaats waar de Vrijwillige Brandweer werkte. De agent Ligtermoed uit Ransdorp die in Zunderdorp dienst had kreeg brandend hout op het lichaam. Slechts met zeer veel moeite kon hij bevrijd worden. Het hout had ook de bovengrondsche geleidingen van het Electrische net vernield. De draden welke onder spanning stonden versperden de weg naar de agent en eenige van zijn bevrijders kregen schokken, welke gelukkig geen nadelige gevolgen hadden. Ligtermoed die bij de annexatie van 1921 in Amsterdamsche gemeentedienst was gekomen is nadat hij uit zijn benarde positie was verlost in een woning binnen gedragen. Medische hulp was niet ter plaatse. De geneesheer werd gewaarschuwd maar de slechte polderwegen lieten niet toe dat er voor half negen een autobrancard aanwezig was. De agent had toen al ongeveer een uur in de woning gelegen. Den heer L. Heijermans kwam naar het dorp om hulp te verlenen. Naar hij ons later meedeelde was Ligtermoed er zeer slecht aan toe, hij had een beenfractuur en zijn gelaat en een deel van het lichaam waren met brandwonden overdekt. De ongelukkige die gehuwd was is naar het Binnen-gasthuis vervoerd. Eerst tijdens het transport verloor hij het bewustzijn. Het mag een toeval heeten dat het vallend hout geen andere slachtoffers heeft gemaakt. Een kettinghond is door de stroom gedood. Een gebroken draad had de ketting van de hond geraakt en onder spanning gebracht. Het spreekt vanzelf, dat het geheele dorp op den been was. Met grote deernis sprak men over het lot, dat Ligtermoed heeft getroffen.”
Uit het Avondblad 16-04-1925 van het Handelsblad: De agent overleden
De agent Ligtermoed uit Ransdorp, die gisteren bij de brand in Zunderdorp zo ernstig verwond is, is heden ochtend om half twaalf in het Binnen-Gasthuis overleden.
Johannes Casper die bij de brand van de kerktoren van Zunderdorp om het leven komt wordt begraven in zijn woonplaats Ransdorp. Zijn grafsteen wordt voorzien van een vallende kerktoren.”

Het gebeurde op zich is al erg genoeg, maar de vermelding dat ook een kettinghond de dood vond maakt het bijna bizar...
Nadat ik via deze geschiedenis gehoord had dat een deel van mijn familieverleden zich had afgespeeld in Landelijk Noord, maakte dat mij wel erg nieuwsgierig en hierna begon voor mij het zoeken naar al of niet nog levende bewijzen hiervan.
Dat is uiteindelijk gelukt, ik heb kennis gemaakt met de familie van mijn eigen moeder, maar ook hier stuitte ik op verhalen die bij mij weer nieuwe vragen opriepen.
Ik zal u daar niet mee vermoeien, ik beperk me tot mijn zoektocht naar de grafsteen van mijn opa.
De grafsteen had, behalve de tekst, een afbeelding van een kerk met vallende toren, meer beeldend kon het niet zijn. De steen was een geschenk van superieuren en collega's van het Bureau Volewijkspark, waarvan hij deel uitmaakte.
Ik begon mijn zoektocht in Zunderdorp, maar daar vond ik niets en niemand kon me er iets over vertellen.
Totdat ik ontdekte dat mijn opa in Ransdorp was begraven, maar ook daar trof ik de steen niet aan.
Dat het graf daar wel aanwezig is geweest bewijst bijgaande foto.

Zoals het vaak gaat ben je geneigd het te laten rusten, maar het liet me nooit helemaal los.
Toen ik in 2010 aan de rand van Nieuwendam kwam te wonen, met in de herfst en de winter, toen de bomen kaal waren, zicht op het torentje van Zunderdorp, werd mijn nieuwsgierigheid weer geprikkeld, zeker na een bezoekje aan Museum De Noord, waar zoveel over Landelijk Noord is te vinden!
Uiteindelijk kwam ik er achter dat het beheer over de begraafplaatsen in Landelijk Noord wordt gevoerd door de Nieuwe Noorder Begraafplaats en, lang leve de digitale snelweg, ik stuurde een mail aan de beheerder, de heer Devente. Hij antwoordde dat het graf al jaren geleden is geruimd. Als er verder geen aanspraak op wordt gemaakt vervalt de steen aan de Gemeente, deze heeft als plicht de steen te vernietigen.
Het vervolg van zijn antwoord was wel zeer verrassend:



4 jaar geleden kwam ik als nieuwe beheerder werken op de Noorder begraafplaats, nu De Nieuwe Noorder.
Zo’n jaar of 2 geleden vond ik een bijna vergane steen bij opruimwerkzaamheden. Daar ik de geschiedenis ken heb ik een steenhouwer verzocht de steen voor mij op te knappen en de mooie steen siert nu mijn kantoor. Dit is de grafsteen van uw grootvader. We kunnen dus spreken van puur geluk.
De steen staat nu in mijn nieuwe kantoor op de begraafplaats, komt u gerust een keer langs.”


Dit is zeker puur geluk! Niet alleen is de steen bewaard gebleven (misschien heeft iemand de historische waarde hiervan toen al ingezien) ook is het gelukkig te noemen dat de heer Devente de geschiedenis kende en de moeite heeft genomen de grafsteen te laten restaureren. Het is bijna een wonder dat deze nu zijn kantoor siert, ik mocht foto's komen maken en hij is werkelijk prachtig geworden, hulde aan de steenhouwer en chapeau voor mijnheer Devente! Toch zegt een stemmetje binnenin mij dat de steen eigenlijk hoort op de plaats waar het ongeluk gebeurde, als een waardige herinnering aan een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van Zunderdorp en aan mijn moedige grootvader.
Over twaalf jaar is het honderd jaar geleden dat de torenspits van Zunderdorp brandend naar beneden kwam, wie weet...


15 september 2013, Anneke Koehof ©


bron o.a. Stamboomonderzoek door L. Ligtermoet

Naschrift: Uiteindelijk is de grafsteen in mei 2019 als monument geplaatst op de Zuidmuur van de kerk in Zunderdorp.



maandag 9 oktober 2017

HET TUINPAD VAN MIJN VADER

Boeroestraat, speelplaats, juni 1950
Geschreven voor en geplaatst door
Het Geheugen van Oost

De afbeeldingen hebben als bron de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam. De foto's zijn gemaakt door Martin Alberts

Let op de voddenman en de ouderwetse vuilniswagen op de MIDDELSTE foto!




Het Tuinpad van mijn vader

'Kijk, die vogel staat te bidden,' wees mijn vader.
Ik keek naar ons tuinpad, dat in rechte lijn tot aan het hek van de buren liep.
'Nee, niet daar, kijk, in de lucht, boven het dak aan de overkant, zie je hem? Dat is een sperwer die zoekt een prooi, straks laat hij zich vallen'.
Nu zag ik het ook, zo dicht woonden wij tegen de stadsrand aan, dat de natuur zich bijna boven onze achtertuin afspeelde. Gebiologeerd bleef ik de vogel volgen tot hij achter de daken verdween.
Dat bidden had natuurlijk niets te maken met het bidden voor het eten bij mijn pleegouders uit de oorlog, dat begreep ik wel na uitleg van mijn vader, die veel van de stadsnatuur wist.
Hij kende elke boom en struik in het Ooster- en Zuiderzeepark en kwam vaak thuis met een handje zelf geraapte noten, die tussen de deur werden gekraakt.
Bij ons thuis werd niet gebeden, mijn vader was een echte 'rooie' en hij geloofde heilig in een samenleving gebaseerd op gemeenschappelijk eigendom, 'waarbij ieder produceert naar vermogen en neemt naar behoefte'.
Ons tuinpad was dan ook volgens deze principes tot stand gekomen.
De tuin was een beetje een wildernis en, tot ergernis van mijn moeder, een paradijs voor buurtkatten. Sommige bovenburen, de goeden niet te na gesproken, gooiden zonder gewetensbezwaar viskoppen naar beneden.
Mijn moeder wilde graag een nette tuin en streed haar strijd met bekers koud water en steeds meer succes, de katten gingen onze tuin mijden. Het enige dat nog aan haar geluk ontbrak was een stenen tuinpad, zodat ze met droge voeten de was kon ophangen.
En toen ging de rijweg aan de Boeroestraat op de schop. Ik was daar zeer bekend want ik speelde er bijna dagelijks op de speelplaats, een ronde zandbak met daaromheen wat ijzeren speelrekken.
Eindeloos hing ik ondersteboven aan die ijzeren rekken te slingeren, totdat het misging. Resultaat een flink gat in mijn hoofd en huilen geblazen, want van rubberen speeltegels hadden ze toen nog niet gehoord.
Langs de kant lagen bergen verweerde stenen die volgens mijn vader toch vergruisd zouden worden en hij stuurde mijn broer en mij elke dag met een oude boodschappentas naar het Boeroeplein om stenen te verzamelen zoveel als we in ƩƩn keer konden dragen. Dat waren er niet zo veel, maar ons tuinpad vorderde langzaam doch gestaag.
We moesten ook zand halen, gewoon, in een emmer. Niemand keek er gek van op...
Uiteindelijk was het klaar, pa was geen stratenmaker, dus het pad had een, wat we nu 'rustieke uitstraling' zouden noemen. En ach, na het slopen van onze huizen in de Baweanstraat heeft de Gemeente de stenen alsnog kunnen vergruizen...

Anneke Koehof ©


Boeroestraat, speelplaats 1954











Boeroestraat, speelplaats 1956