maandag 24 juni 2013
DE NACHTBOOT NAAR LEMMER
![]() |
| De Jan Nieveen |
Herinneringen
aan mijn kindertijd
Foto Spanvis
Lemmer
We
wisten nooit of we wel of niet zouden gaan. Mijn vader hield ervan om
de spanning erin te houden. Mijn moeder boos, de kinderen
teleurgesteld, tot mijn vader tegen de avond zei:
“Nou
ma, zullen we dan toch maar gaan”? 'Ma' pakte de pan met het net
gebraden vlees en de overige bagage en daar gingen we, om negen uur
’s avonds met lijn 11, naar het Centraal Station.
We rilden van de slaap en de spanning,
maar daar, aan de De Ruyterkade, lag de nachtboot naar Lemmer! Het
was in onze ogen een groot schip met achterop een paar reddingsboten
en een hoge zwarte schoorsteen.
Behalve passagiers en lading gingen
ook altijd enorme
hoeveelheden fietsen mee. Je kreeg een bonnetje met een nummer, dat
op de plaats van bestemming werd afgeroepen. Dat was opletten
geblazen want het ging in een hoog tempo.
Je kon de 'Waalstroom' treffen, maar
ook de 'Jan Nieveen', waarop een neef van mijn moeder hofmeester was
en door die familieband waren we altijd verzekerd van een plaatsje
beneden in de 'damessalon', een ruimte met zachte banken, bekleed
met ooit groen geweest pluche, waar mijn vader steevast een vlo
opliep.
Boven de banken was een ruimte waar
een kind, met een jas als bed en een vest als kussen, makkelijk kon
liggen en waar je door de patrijspoorten het water kon zien klotsen.
Je sliep er heerlijk, door de deining van het schip en het geluid van
de dreunende motoren.
Het kon er erg benauwd zijn en één
maal gooide tante Annie, zo’n type dat graag de leukste thuis was,
een patrijspoort open, waardoor een golf water naar binnen sloeg.
De hofmeester die alles moest opruimen, was iets minder joviaal dan
gewoonlijk.
In de Oranjesluizen schenen felle
lampen en de heen en weer lopende sluismeester leek een geheimzinnige
schaduw. Daarna voeren we het IJsselmeer op, waar het pikkedonker
was, met hier en daar een geel flakkerde boei.
Halverwege de reis ontmoetten de beide
Lemmerboten elkaar, dan werden er groeten uitgewisseld, wat mij
zelfs toen al ontroerde.
Wij kinderen brachten de reis
grotendeels slapend door en we werden met moeite wakker als de boot
’s morgens rond 5 uur afmeerde in Lemmer.
Een broer van mijn moeder wachtte ons
op, zijn klompen en onze voetstappen weerklonken over het water als
we over de bruggen het doodstille Lemmer in klosten.
Wat
was ik daar gelukkig. Alles was anders dan in de grote stad: de geur,
de geluiden, de kleine huizen, de taal. Hoewel ik door familiebezoek
al jong met het Fries vertrouwd was geraakt, waren de zangerige
klanken toch nog moeilijk te volgen.
Het eten vonden we heerlijk. Veel vis
maar ook de typisch Friese gerechten als pareltjebrij, suikerbrood,
trommelkoek met stroop en de lange repen koek.
Slaapdronken liepen we naar de
Vissersburen, waar mijn oom woonde. Kleine huizen, waartussen nauwe
stegen, aan een brede vaart, De Rien.
Je ging nooit door de voordeur naar
binnen maar door het steegje 'achterom'. Er hing een luchtje van het
toen nog overal gebruikte “hûske”, een houten kist met ronde
deksel waaronder een tonnetje stond. In het steegje was een laag
deurtje waardoor de “tonneman” de volle “hûsketonne” kon
weghalen en omruilen voor een schoon exemplaar.
In het gezin woonde ook 'Beppe', de
moeder van mijn tante, een klein oud vrouwtje met een muts op en in
het lang zwart gekleed. Ze was tandeloos en had een wrat op haar
neus, ik wist zeker dat het een heks moest zijn en was een beetje
bang voor haar.
Langs een onwaarschijnlijk steile
trap gingen we naar zolder, naar onze slaapplaatsen.
Vaak zat ik aan de kant van de vaart.
Schepen voeren af en aan en langs de wal lag dikwijls een 'skûtsje',
toen nog dag en nacht in bedrijf als beurtschip. De hele familie
huisde in de kleine roef, er moest zoveel mogelijk plaats zijn voor
lading en dat ging ten koste van de leefruimte.
Het leek me geweldig
om aan boord van zo’n schip te wonen, alles zag er zo gezellig
uit. De raampjes waren piepklein met geruite gordijntjes en als je
naar binnen keek brandde er een olielamp, want het was er altijd
donker. Wat wist ik toen van de armoe van deze mensen...
Een parlevinker voer behendig tussen
de schepen door om ze te bevoorraden met wat maar nodig was. Een
varende Winkel van Sinkel.
Ik kan me nog de verbijstering
herinneren toen we na een nachtelijke boottocht uit Amsterdam
ontdekten dat de zo vertrouwde Rienvaart was veranderd in een
eindeloze zandvlakte. Ze hadden de vaart gedempt ...
Anneke
Koehof ©
![]() |
| De Vissersburen |
Dit verhaal publiceerde ik op 24 juni, de geboortedag van mijn moeder, geboren in Lemmer op 24-06-1911.
![]() |
| De oude vuurtoren |
zondag 9 juni 2013
DE KONINGIN VAN DE NACHT (Les Pas des Fleurs) Mijn eerste versie.
Koningin van de nacht
Het is veertien
juli, Quartorze Juillet. Op de klassieke zender klinkt de hele dag
muziek van Franse componisten, waaronder Saint Saëns: “Het
Carnaval der Dieren.”
Bij het horen van
'De Stervende Zwaan' moet ik even meedoen, maar de krampen schieten
me al gauw door de kuiten en mijn linkerknie kraakt hoorbaar.
Wat hield ik als
kind al van de Stervende Zwaan, met veel gevoel en weinig techniek
stierf ik de sterren van de hemel.
“Sta toch niet zo
stom te doen,” zei mijn moeder. “ Je lijkt wel een échte zwaan
met die lange nek van je.”
Jaren heb ik me
geschaamd voor mijn lange nek, totdat het een 'lange hals' werd.
“Uitstekend
geschikt voor een ballerina,” zei de balletlerares bij de
buurtvereniging. Ze stuurde sommige meisjes door naar een echte
balletschool en ook voor mij kwam er iemand kijken.
Natuurlijk mocht ik
niet van thuis, veel te duur zo’n opleiding. En dan:
balletdanseres!
Ik kon maar beter
mijn handen leren gebruiken, veel handiger voor meisjes die toch
gingen trouwen. Dus stelde ik me tevreden met de Kinderoperette, ik
leefde voor de uitvoeringen in het buurttheater, op een echt groot
toneel!
Wat was ik gelukkig
met mijn eerste solo. “De Koningin van de Nacht” mocht ik
dansen, mijn hele ziel en zaligheid legde ik erin.
Bij de generale
repetitie hoorde ik de muziek, Les Pas des Fleurs van Leon Delibes, voor het eerst vertolkt door een
orkest. Van emotie kon ik geen stap verzetten, de tranen stroomden
mij over de wangen.
Ik voelde me een
echte koningin in mijn wijde, nachtblauwe jurk, waarop zilveren sterren flonkerden en waarvan de stof
door de valling van het licht bij iedere beweging een andere tint
aannam.
Nog zie ik de zaal
voor me, met de rood pluchen stoelen, het balkon, de groen
oplichtende bordjes naar de nooduitgang, het grote toneel met de
trappen naar de coulissen;
Nog ruik ik de
stoffige geur, het aroma van vergane glorie, de geur van het publiek,
dat in die tijd in groten getale kwam kijken naar de uitvoeringen;
Nog voel ik de spanning, hoor ik het geroezemoes, het stemmen van de
instrumenten. Stiekem keken wij door het glaasje in het doek of we
bekenden zagen.
Mijn moeder kwam
niet kijken maar mijn tantes gelukkig wel, die waren trots op hun
nichtje en ze prezen me, tot groot ongenoegen van mamma, ik zou maar
verbeelding krijgen.
Het voorspel klonk,
weg waren mijn zenuwen, ik danste voor mijn gevoel als nooit tevoren.
Ik werd opgetild door de muziek … Ik zweefde, ik zweefde!
Ik zag het publiek met open monden kijken, maakte een rondje boven de
aaaaaah’s en ooooooh’s voor het balkon langs en zweefde met een
grote boog over het orkest.
Plotseling kreeg een valse windvlaag mijn opbollende jurk te pakken,
ik was stuurloos geworden. Angstkreten klonken door de zaal, ik hoorde
mijn tantes er bovenuit, en met een klap belandde
ik midden in de orkestbak.
Anneke Koehof ©
https://www.youtube.com/watch?v=b_CKPWopfTQ&feature=em-share_video_user
maandag 3 juni 2013
AMSTERDAM AAN ZEE (DEEL 1 en 2)
Uiteraard fictief
Amsterdam aan Zee
(Deel 1 en 2)
Amsterdam aan Zee
(Deel 1 en 2)
Amsterdan aan Zee
Het is drukkend warm op die twaalfde maart van 2037, de dag dat de oude Koningin zal worden bijgezet. Negenennegentig jaar is ze geworden en tot het laatst toe heeft ze haar invloed uitgeoefend op de wijze waarop het land volgens haar moest worden geregeerd.
Bijna iedere dag bezocht
Koning Willem IV haar om de regeringsproblemen te bespreken.
Hij streek over de tiptoets
van een apparaat: een blad met twee koppen koffie gleed op het
dienbuffet.
“Geef mij maar de
ouderwetse lakeien zoals vroeger in Den Haag,” mopperde ze.
“Tja,
moeder, er is nu eenmaal personeelsgebrek, zelfs hier.
“Waar is Maxima, is ze nu
weer in Argentinië,” vroeg ze scherp. “Dat je dat goed vindt
Alex, een koningin hoort bij haar man te zijn, naast haar man te
staan”.
“Ach Moeder,” antwoordde
hij “Laat haar nu maar, ze is daar graag, ze wordt hier gek van
alle aandacht.
“Je bent veel te goeiig,
altijd geweest, ze overheerst je”. Hij haalde zijn schouders op en
keek naar buiten. Het paleis was omgeven door een brede gracht. In
het Damrak zag hij de watertrams en watertaxi’s kris kras
door elkaar varen, of eigenlijk nét boven het water zweven. De
koeriers op hun snelle waterscooters bewogen zich er behendig
tussendoor. Op de Dam was het druk, toeristen namen foto’s van het
oude en het nieuwe monument, gooiden munten in de slotgracht en
probeerden een glimp van het vorstenpaar op te vangen.
Hij was moe; de grote
watersnoodramp van 2017 heeft een zware wissel op hem getrokken.
Nauwelijks had hij het roer van zijn moeder overgenomen toen het land
werd overspoeld. Hoe vaak had hij dit niet voorspeld, hij was
tenslotte niet voor niets Waterbeheerder.
“Leg meren aan, maak
bekkens waar het teveel aan water kan worden opgevangen, graaf de
grachten in de steden weer open”. De Regering luisterde niet,
achter zijn rug werd hij uitgelachen. Amsterdam was altijd tegen
geweest: waar moesten ze met de auto’s heen? Nu was de stad
praktisch autovrij. Aan de randen
waren parkeerterreinen aangelegd.
Met zijn ogen volgde hij de
magneetzweeftram richting strand. Op het dak van de Bijenkorf, de
voorlaatste halte, stapten mensen in en uit.
Het
leven gaat verder, wie denkt er nog aan de vreselijke ravage, aan de
allesoverheersende stank van de overal drijvende lijken. Toen het
water zich terugtrok was het verschrikkelijke pas zichtbaar en
moesten er wel maatregelen worden genomen waardoor Nederland weer een
waterland werd. Meren werden weer zee, de polders verdwenen alsof
ze er nooit geweest waren en de zo omstreden Noord-Zuidlijn was
weggezakt in de moerassige grond.
Zelf had hij zijn dierbaren
tijdig in veiligheid gebracht. Bovenop de Utrechtse Heuvelrug had hij
een paleis laten bouwen met zoveel vleugels dat de hele Koninklijke
Familie er kon verblijven. Er was veel kritiek geweest, het had de
schatkist zwaar belast, maar ze hadden de ramp overleefd, allemaal.
De Oranjes zaten stevig in het zadel.
Met al zijn energie had hij
de leiding van de wederopbouw persoonlijk ter hand genomen. In zee
waren windmolenparken gebouwd en ook de luchthaven had daar een
plaats gekregen. Zweeftreinen reden over hoge taluds en veel vervoer
ging per schip. De grachten werden verbreed en er lagen waterwoningen
van wel zes verdiepingen hoog, met op de daken grote
zonnecollectoren.
Logisch dat Maxima haar
vertier elders zocht, hij had te weinig tijd voor haar. De kinderen
hadden hun eigen leven, Amalia werd onder de strenge leiding van zijn
moeder klaargestoomd voor het koningschap.
“Ik moet weer eens gaan,
moeder, ik heb een afspraak met de premier,” zei hij en gaf haar
een kus.
“Ja,
jongen, de plicht roept. En geef niet teveel toe, ze is geslepen,
denk erom”.
Hij stapte op wat hij
gekscherend “De vliegende hollander” noemde. Als in een flits
vloog hij net boven de vloer door de lange gangen naar zijn
werkkamer.
----
Vandaag
wordt de oude Koningin bijgezet. De uitvaartdienst in de Westerkerk
, moeders uitdrukkelijke wens, is net voorbij. Over de Amstel vaart
de rouwstoet richting Delft. Maxima en hij staan op de voorplecht,
de kist achter hen omringd door Mariniers, stram in de houding.
Maxima houdt haar zwarte hoed met voile met haar rechterhand vast,
haar karakteristieke houding die hem doet denken aan een klassieke
filmscène.
Bij
Carré speelt een orkest. “We’ll Meet Again” de klanken
verwaaien over het water.
Een traan rolt over zijn
wang.
Anneke Koehof ©
geschreven in 2008

voor 'Schrijvers uit Oost', laatste editie.
Het onderwerp : Water in Oost.
Amsterdam
aan Zee (deel
2)
E
caldo vanavond, heel warm. De terrassi
aan zee,
waar vroeger het Flevopark begon, zitten
nog vol, niet alleen met toerists,
maar juist met de habitués,
gewone families uit de buurt. Een accordionisto
trekt de aandacht en het publiek neuriet vrolijk mee. Mama zit
achter haar Knickerbocker Glory,
papa nipt van zijn anisette
en de kleine Paolo likt aan een gelato-fragola.
'Is je
ijsje lekker?' vraag ik aan het jongetje. Hij geeft geen antwoord,
ach natuurlijk, hij verstaat me niet.
Ik
bestel een broodje ham, panproscuito
heet dat tegenwoordig in het bizarre Neditanglo,
dat langzamerhand de voertaal is geworden.
Hoe
warmer het werd, hoe mediterraner men zich ging gedragen.
Ik kijk
om me heen, alles is brandschoon, een van de verworvenheden van na de
'Grote Watersnood', maar verder is het er niet beter op geworden.
Ouderen
worden ingezet om de straten schoon te houden. De AOW is drastisch
verminderd, waardoor ze nauwelijks kunnen rondkomen.
Ik mag
niet mopperen; dankzij mijn kleindochter ken ik een aantal Primo’s,
ragazzi in
invloedrijke comités die mij in de buurt van de vroegere Dappermarkt
nog aan een kleine paalwoning hebben kunnen helpen.
Plotseling
is er consternatie op het terras. Een oude man holt weg met een
broodje dat hij uit de handen van een kind heeft gegrist. De vader
van het snerpend gillende meisje rent achter de man aan en geeft hem
een klap in het gezicht, wat de terrasbezoekers in gejuich doet
uitbarsten. Als uit het niets komen twee geüniformeerde vrouwen
tevoorschijn die de hevig tegenstribbelende bejaarde meenemen.
Een
gevoel van medelijden maakt zich van mij meester. Hoe hongerig moet
je zijn om van een kind te stelen? Maar ik bemoei me er niet mee,
voor je het weet keren ze zich tegen mij.
Het
meisje blijft jengelen en krijgt een nieuw broodje van de uitbater
die zich uitvoerig excuseert, zijn toezichthouders hebben niet goed
opgelet, basta.
Over
het terras zoemt weer het voor mij nog altijd vreemde gebrabbel.
Doezelig droom ik weg.
Het is
vandaag 27 april 2038, Koningsdag, en deze dag zou extra feestelijk
gevierd worden, in tegenstelling tot vorig jaar, toen de oude
Koningin overleed. Negenennegentig is ze geworden! Ik zie niet heel
veel verschil met een gewone dag; het koningshuis leeft tegenwoordig
niet meer zo, al moet gezegd worden dat de Koning met veel energie de
leiding over de wederopbouw op zich heeft genomen.
Nee,
dan de vroegere Koninginnedagen, die werden uitbundig gevierd. De
straten en bruggen waren bezet door kraampjes en kleedjes, waarop
overtollige spullen werden aangeboden, je kon over de hoofden lopen
en er was overal muziek.
“Als
u niets meer gebruikt, piss off, ”
snauwt de serveerster mij toe. Ik schrik nog altijd van de toon die
jongeren aanslaan tegen mensen van onze leeftijd. Moeten we dan
eeuwig worden gestraft voor wat we volgens hen hebben misdaan?
De
ernstige depressie, de bankval en zeker de grote watersnood, allemaal
onze schuld, want onze generatie was niet alert genoeg om de gevaren
op tijd af te wenden. Een groot deel van Amsterdam liep onder water,
IJburg, Amsterdams trots, werd ondanks de waterkeringen en de extra
zandlagen gewoon weggespoeld...
“Nou,
komt er nog wat van? Een beetje presto, ja!”
Ik
betaal en ga maar eens op huis aan. Het is ook bijna geritime.
De
gondels, tegenwoordig een gewoon beeld in de stad, verdringen zich
om als eerste onder de bruggen door te komen, waarbij de gondeliers
in niet mis te verstane bewoordingen hun rechten opeisen. Watertrams
en taxi’s varen af en aan, terwijl pizzakoeriers er zich op hun
snelle waterscooters behendig tussendoor bewegen.
De boot
naar de Dappergracht zal zo wel komen.
Anneke
Koehof ©
Verklarende
woordenlijst:
Neditanglo :
door Italiaans en Engels beïnvloede Nederlandse taal
E
caldo : het is heet
Terrassi :
terrassen
Toerists :
toeristen
Habitués :
buurtbewoners
Accordionisto :
accordeonist (muzikant)
Knickerbocker
Glory : ijscoupe
Anisette :
anijsdrank
Gelato-fragola :
aardbeienijsje
Primo’s :
vooraanstaanden
Ragazzi :
jongeren
Panproscuito :
broodje ham
Piss
off : verdwijn
Presto :
snel
Geritime :
de tijd dat ouderen niet meer buiten mogen komen.
zaterdag 4 mei 2013
NELLEKE
Dit verhaal zond ik in naar 'Schrijvers uit Oost', in het kader van de wedstrijd 'Schrijf je straat'.
Ter nagedachtenis aan Nellie,
een meisje uit mijn straat, begin 1945
doodgeschoten door de Grüne Polizei.
Nelleke
'Karel Eén brak zijn been, Karel Twee dronk een kopje thee, Karel Drie... '
Nelleke
kaatst de ballen beurtelings tegen de muur, ze heeft ijskoude handen
en daardoor is het moeilijk ze op te vangen.
'Hè
Nel, ga eens even een poosje naar buiten,' had mamma gemopperd.
Nu de
scholen wegens brandstofgebrek gesloten waren, liep het kind haar
geregeld voor de voeten.
'Karel
Vier, dronk een glaasje bier...'
Ina van
de overkant komt erbij staan, maar Nelleke negeert haar.
'Karel
Vijf, sloeg zijn wijf...'
'Mag ik meedoen?'
'Nee', antwoordt Nelleke bot.
'Waarom niet?'
'Dat weet je ook wel, daarom niet!'
Teleurgesteld
druipt Ina af. Nelleke vindt het best zielig, maar ze mag nu eenmaal
niet met Ina spelen.
Wee van
de honger en de kou leunt ze tegen de deur van Casper, die nu bij
zijn oma woont, omdat zijn moeder is doodgegaan.
'Dat
arme mens,' had ze mamma horen zeggen. 'Haar man zit in een werkkamp
door die vuile verraders, en zij heeft zich rot gewerkt om haar
kostje bij mekaar te scharrelen, logisch dat ze er onderdoor is
gegaan bij de bevalling'.
Waar ze
precies onderdoor is gegaan begrijpt Nelleke niet, ze weet wel dat
het babyzusje van Casper nu bij de melkboer woont. Kon zij daar maar
wonen, ze is bijna vergeten hoe echte melk smaakt, wat ze nu krijgt
is dun en waterig, net als de aardappelschillensoep uit de
gaarkeuken. Ze is broodmager door ondervoeding, haar benen zijn lang
en stakerig, net als haar armen, die uit de mouwen van de te krap
geworden winterjas tevoorschijn komen.
Gisteren
kwam ze op het Javaplantsoen weer die Duitse soldaat tegen, hij kijkt
haar altijd heel vriendelijk aan.
'Ach, du schönes blondes Mädchen, ich habe ein
Töchterchen wie du'.
Hij
hield haar een reep chocolade voor, maar al heeft ze nog zo'n honger,
ze mag niets aannemen van een Duitser. Strak keek ze naar de grond,
hij moest lachen om haar standvastigheid.
Nelleke
zucht, ze had best een stukje chocolade gelust en anders haar zusje
Vera wel. Eigenlijk
is het haar zusje niet, maar haar buurmeisje. Toevallig speelde Vera
die middag bij hen, toen er ineens geschreeuw en gestamp op de trap
van de benedenburen klonk. Mamma zat als verstijfd, ze zag spierwit
en hield haar vinger tegen haar lippen. Even daarna hoorden ze weer
gestommel. Henk, Nelleke's broer, keek naar buiten.
'Ga bij dat raam weg', siste mamma hem toe.
'Ze worden in een vrachtwagen geduwd,' zei hij
geschrokken, 'ze gaan vast en zeker naar het Oosten'.
'En
Vera dan,’ vroeg Nelleke, 'die kunnen ze toch niet zomaar
achterlaten?'
'Vera blijft hier,' bitste haar moeder.
'Van nu af aan is ze jullie zusje en denk erom, jullie
houden je mond, niemand mag dit weten, anders komen die rot moffen
haar ook nog ophalen'.
In het
begin huilde het meisje veel en vroeg naar haar eigen moeder, maar
later ging dat over.
Buiten
spelen mag ze niet en als er visite komt moet ze naar de zolderkamer.
Nelleke kijkt wel uit om het aan iemand te verklappen, want dan zou
haar wat boven het hoofd hangen heeft haar moeder gedreigd.
Je kan
beter maar niet te veel aan mamma vragen, die is tegenwoordig zo gauw
boos. Zoals die keer dat Nelleke dacht dat ze haar vader had gehoord.
Hij was al maanden niet thuis geweest, maar op een avond, toen ze
niet kon slapen, hoorde ze hem en mamma zacht lachen, ze wist het
bijna zeker.
'Is pappa terug?' vroeg ze de volgende ochtend. Ze zag
Henk en mamma een snelle blik wisselen.
'Hoe kom je daar nu weer bij', antwoordde haar moeder
korzelig, 'je zal het wel gedroomd hebben!' Nelleke had niet
verder durven vragen.
Wat zou
ze nu eens gaan doen? Haar broer is met zijn vrienden naar de
Rietlanden. Ze is daar wel eens geweest met haar moeder om brandstof
te zoeken voor het noodkacheltje, maar haar broer wil haar niet mee
hebben.
'Veel te gevaarlijk voor meiden, Sperrgebiet,
' benadrukt hij. Ze zoeken naar sintels en
stukjes hout, maar dat is verboden. De bewakers zijn heel streng en
volgens Henk schieten ze zelfs op kinderen, al kan ze dat bijna niet
geloven.
Toch
weet Henk er veel van. Hij hangt 's avonds uit het raam en doet
opgewonden verslag van de luchtgevechten boven de Diemerzeedijk. Daar
staat het afweergeschut om de Duitse schepen te beschermen tegen de
aanvallen van Engelse jagers. Voor Henk is oorlog een spannend
avontuur, maar Nelleke houdt doodsbang haar oren dicht voor het
gillen van de gevechtsvliegtuigen en het gedonder van het geschut.
Ze smeekt hem het raam dicht te doen.
Als ze
nu eens stiekem tóch naar De Rietlanden ging? Wat zou mamma blij
zijn als ze wat kooltjes had. Schichtig kijkt ze naar boven of haar
moeder niet voor het raam staat.
Ze holt
de hoek om in de richting van de Zeeburgerdijk en dan de brug over
naar het abattoir. Getver, wat stinkt het hier toch, haar maag draait
om.
Ze is
nu bij het rangeerterrein en daar zijn de hijskranen van de havens
al. Gek, ze ziet helemaal geen bewaking.
O jee,
nu moet ze nog heel nodig ook, ze kan het bijna niet ophouden. Ze
kruipt weg achter een goederenwagon en laat haar plas opgelucht
lopen. Er holt een groep jongens voorbij, ze herkent haar broer er
tussen, gelukkig ziet hij haar niet.
Het
begint al te schemeren als ze onder een hijskraan iets ziet
glinsteren, kooltjes misschien? Ze kijkt om zich heen, niemand te
zien, ze woelt met haar handen door de aarde.
Ineens
een schreeuw en het geblaf van een hond. Verschrikt vliegt ze op, ze
hoort de knal nog voordat ze achterover valt…
'Ach nein, nicht das Mädchen'.
Anneke
Koehof ©
FICTIE
donderdag 25 april 2013
NAAR DE BRIEVENBUS

Hendrik met Tripper
Fleur met Jord
Voor mijn schrijfcursus moest ik een verhaal maken over 'een reis naar dichtbij'
Hiervoor heb ik gekozen voor een bewerking van het verhaal over mijn wandeling naar de brievenbus met Hendrik en Fleur, een verhaal dat mij heel dierbaar is. Ik heb het oorspronkelijk geschreven in 2005 en met een Libellewedstrijd heb ik er een workshop 'columns schrijven' mee gewonnen. Een beter verhaal over een reis naar dichtbij had ik niet kunnen bedenken!
Een reis naar dichtbij
Ze hebben een tekening gemaakt voor hun tante in België, Fleur en
Hendrik, mijn kleinkinderen van twee en drie jaar.
'Zullen we de brief voor Marleen wegbrengen?'
'Helemaal naar Belgenland, oma?' vraagt Hendrik, 'dat is een verre
reis!'
'Nee joh, we gaan hem in de brievenbus doen, dat is een reis naar
dichtbij', antwoord ik.
‘Ik wil met de poppenwagen oma,
Poppejord moet ook mee, en de honden’ zegt Fleur.
‘Vooruit dan maar,’ zucht ik.
Hendrik heeft het nog even druk bij het mierennest in een hoek van de
tuin. Roerend met een stokje brengt hij het opmarcherende
mierenleger in complete chaos.
‘Kom nou, die mieren zijn er
straks ook nog wel’.
Hendrik besluit dat hij Pieter Post is. Bij elk tuinpad wordt zijn
fietsje neergezet om denkbeeldige post in de brievenbussen te
stoppen. Benzine tankt hij aan een overhangende twijg.
De honden vinden het maar niets, het gaat ze veel te langzaam en ik
houd ze met moeite in het gareel.
‘Oma, oma, niet zo hard,’ roept
Fleur. Het poppenwagentje met de houten wielen rijdt niet erg soepel
en nu loopt er ook nog een wiel af af. Met moeite herstel ik het
euvel.
Gelukkig, daar is de brievenbus.
'Ik mag de brief erin stoppen, nee ik, nee ik, roepen ze in koor'. Ik
til ze allebei op zodat ze de envelop samen in de bus kunnen doen.
'Dag Marleen', roepen ze in de
gleuf.
Op de terugweg moeten we telkens stoppen voor zogenaamde stoplichten.
Bij ‘rood’ commandeert Hendrik ons tot stilstaan en bij ‘groen’
mogen we weer verder.
De poppenwagen heeft het nu definitief begeven, alle wielen zijn er
afgelopen en Poppejord ligt op de grond. Met aan mijn ene hand de
honden, aan de andere Fleur en de onderdelen van wat ooit een
poppenwagen was, vervolgen we de reis naar huis.
‘Moet opa maken, hè,’ zegt
Fleur, met grenzeloos vertrouwen.
Als we eindelijk thuis zijn holt Hendrik meteen weer naar het
mierennest. Gespannen bekijkt hij de nijvere beestjes.
‘Weet je oma, voor de mieren is
de tuin de hele wereld'.
Anneke Koehof
©
woensdag 10 april 2013
HOP MARJANNEKE
De schrijfopdracht was: werk een mooie of leuke jeugdherinnering om tot een echt sprookje
De herinnering die ik had was aan mijn tijd als baby en peuter bij mijn pleegouders. Zij namen mij in huis na het overlijden van mijn moeder. Ze hadden een melk/kruidenierszaak en verkochten ook stroop uit een vat. De 'mare' gaat dat ik stroop wilde pikken en daarbij mijn evenwicht verloor en in de stroop terecht kwam. Onder de winkel was een kelder die veel indruk op mij maakte. Het heeft lang geduurd voor ik daar, onder begeleiding, een kijkje mocht nemen.
Marjanneke (Verspronck, 1600-1662)
Hop Marjanneke
Er was eens een lief
prinsesje dat Marjanneke heette.
Als ze op de
schouders van de Koning door de paleisgangen galoppeerde zong hij:
'Hop Marjanneke,
Stroop in 't Kanneke', want ze was dol op die zoetigheid, terwijl de
Koning er juist zo'n hekel aan had.
'Iedere maandag die
vervelende Ministerraad', mopperde hij. 'Ze smeren me alleen maar
stroop om de mond'.
Daarom verbood hij
alle stroop in het land, behalve één vat, en dat stond in de
Geheime Koninklijke Kelder. Slechts één maal per maand mocht de
keukenmeid een kannetje uit het vat tappen en dan bakte ze speciaal
voor Marjanneke drie pannenkoekjes met stroop.
Op een nacht had ons
prinsesje zo'n vreselijke trek, dat ze blootsvoets door de
koninklijke gangen dwaalde op zoek naar de geheime kelder.
Ze was al bijna
verdwaald toen ze wel dertig stroopsoldaatjes in het gelid zag staan.
'Wat doen jullie
hier?' vroeg ze nieuwsgierig.
'Wij bewaken het vat
met gouden stroop', antwoordden ze.
'Laat mij er
onmiddellijk door, ' commandeerde de prinses.
'O, nee, dat mag
niet van uw vader, De Koning'!
'Dan zal ik mijn
maatregelen moeten treffen', sprak ze. 'Jullie laten mij erdoor, of
ik eet een soldaat op!' Ook een lief prinsesje moest soms
meedogenloos zijn en ze stelde een daad.
Geschrokken lieten
de soldaatjes haar door en zo betrad zij de geheime kelder waar een
hoog vat stond, STROOP stond erop, het
kon niet missen.
Via een laddertje
klom ze omhoog en boog zich over de rand om een likje te nemen van
dat heerlijke zoet, waardoor ze haar evenwicht verloor en met
spartelende beentjes in de stroop verdween. De soldaatjes sprongen
haar nog na, maar konden haar niet redden.
Toen ze dacht dat ze
bijna zou stikken kwam ze in een gouden luchtbel terecht en zweefde
weg.
'Waar ben ik', vroeg
ze verbaasd. Ze zag huisjes van suikerwerk, met daken van speculaas
en allemaal snoepende kinderen. Ze aten zuurstokken, wijnballen,
mariakaakjes en chocolade en de stroopsoldaatjes moesten rennen voor
hun leven.
Je bent hier in
Bickertjesburg zei een ontzettend dikke jongen, die een Prins bleek
te zijn. Hij heette Prins Bicker, eigenlijk Prins Dicker, maar dat
woord had hij verboden.
Zijn leger van
drie-in-de-pan marcheerde door de Muntendropstraten.
'Daar komen de
Bickertjes, daar komen de Bickertjes', riepen ze in koor.
'Ik zou best met je
willen trouwen', zei de prins, 'maar pas als je net zo bick bent als
ik'.
Dat
leek Marjanneke wel wat, ze snoepte en snoepte, totdat ze schoon
genoeg had van dat kleverige goedje en weer eens weg wilde. Maar dat
ging zomaar niet. Na een gevecht tussen drie-in-de-pan en
stroopsoldaatjes bereikten ze het gat in het vat waar de kurk in zat,
maar ze paste er niet door.
Marjanneke huilde
hete tranen, waardoor de stroop vloeibaar werd, en zij met de stroom
mee naar buiten dreef.
Zo vonden de Koning
en de Koningin haar 's morgens helemaal kleverig in haar hemelbedje.
En Marjanneke? Die
leefde nog lang en gelukkig
Anneke Koehof ©
fictie
fictie
stroopsoldaatjes
Abonneren op:
Posts (Atom)





.jpg)

.jpg)
