Dit verhaal heb ik in herziene vorm ingestuurd naar de schrijfwedstrijd van 'Schrijvers uit Oost'.
Helaas niet in de prijzen gevallen...
Sterrenbeeld
Hij
bespiedt haar in de schaduw van de bomen.
Zij
heeft zich brutaalweg zijn schuilplaats aan de rand van het Flevopark
toegeëigend. Onverstoorbaar ligt ze in de beschutting van een oude
grafzerk op een bed van koperkleurig herfstblad en gaat geheel op in
het bestuderen van de hemel.
De
nacht is helder en daar, noordwaarts, schuin onder de Kleine Beer,
beschermd door de Draak en vlak onder de Zwaan, bevindt zich haar
naamgenote, aan wie ze zich zo graag spiegelt. Als de heldere
najaarsnacht plaats moet maken voor flarden ochtendmist zingt ze
zacht en verlangend een lied.
Hij
overziet de situatie. O, wat weet ze goed dat ze mooi is in haar
helderrode jas, die aan de onderkant geraffineerd overgaat in een
rozige glans. Haar hals en lippen kleuren bleekwit in het omfloerste
zilveren schijnsel van de maan, haar ogen zijn omrand met eyeliner en
op elke wang is, vlak onder het oog, een zwarte traanvormige vlek
getekend. Aan haar voeten draagt ze donkere sokjes.
Ze rekt
zich omstandig uit, verlaat het knisperend bed en verdwijnt in de
nacht. Ze passeert hem rakelings en als ze hem heeft opgemerkt dan
laat ze dat niet blijken, maar haar bedwelmende geur blijft in zijn
neusgaten hangen.
Zal hij
haar achterna gaan? Nee, hij heeft zijn trots.
Maar
wat als ze een ander tegenkomt, een knappe donkere vent, misschien
tippelt ze daar wel op. Hij is een gewone jongen, een beetje
kleurloos, met een lichte huid, niet klein of onknap. En hij heeft
haar wat te bieden! Een woonplek met eigen ingang, niks te delen met
anderen. Hij moet hollen om haar in te halen.
Ze
heeft zich verstopt achter een bosje en als hij haar bijna voorbij
loopt komt ze plotseling tevoorschijn.
'Haha,
gefopt.' Ze heeft een hoge stem. Lang kijken ze elkaar alleen maar
aan en
dan
begint het aloude spel van aantrekken en afstoten.
Ze omhelst hem, maar als hij reageert dartelt ze het pad af totdat ze zich weer door hem laat inhalen.
Ze omhelst hem, maar als hij reageert dartelt ze het pad af totdat ze zich weer door hem laat inhalen.
'Waar
kom je vandaan,' fluistert hij in haar oor, 'ik heb je hier nooit
eerder gezien.'
'Daar,
over het water.'
'Maar
dat is toch gevaarlijk, die brug en al dat verkeer?'
'Ik ben
niet bang,' antwoordt ze. 'Mijn moeder vindt me een droomster, maar
ik loop echt niet in zeven sloten tegelijk. En bovendien neem ik een
andere route.'
'Welke
dan?' Maar dat vertelt ze niet, dat is haar geheim.
Hij
bewondert haar, wat een meid!
Met
wiegend achterwerk gaat ze hem voor.
In de
koele herfstnachten vrijen ze in de buitenlucht en pas tegen de
ochtend gaan ze naar zijn woonplek, een lange gang met aan het eind
een kamer, waar ze de dagen luierend en slapend doorbrengen.
Hij
verwent haar met de heerlijkste hapjes, waarvan ze zich gewetenloos
geen enkele keer afvraagt waar hij die vandaan haalt.
Soms
verdwijnt ze een dag of twee voor een bezoekje aan haar moeder en
zusjes, maar ze wil hem niet mee hebben. Ongerust maakt hij zich niet
meer, want ze komt steeds weer terug.
Als de
avonden kouder worden blijven ze wat vaker binnen, ze is onrustig,
heeft nukkige buien, snauwt hem af en vraagt hem meer eten mee te
brengen. Hij kan het bijna niet aanslepen en al gauw is er geen hap
meer in voorraad, hij moet bijna dagelijks uit stelen om haar
tevreden te houden.
Tot die
keer dat het bezoekje aan haar moeder wel erg lang duurt, hij wacht
en wacht, loopt steeds weer naar de verlaten begraafplaats en zoekt
tegen beter weten in achter de grafzerken in de hoop dat ze
plotseling tevoorschijn komt, haha, gefopt!
Ze zal toch niet met een ander... Hij durft de gedachte nauwelijks toe te laten.
Ze zal toch niet met een ander... Hij durft de gedachte nauwelijks toe te laten.
Hij hoort niet het snerpend remmen, ziet niet hoe zij wordt meegenomen, leest niet het bericht dat een jonge drachtige vos, waarschijnlijk over de tramlijn vanaf IJburg, naar het Centrum is gelopen en daar aangereden werd aangetroffen.
Maar
uiteindelijk heeft hij het begrepen.
's
Nachts, op zijn koperkleurige bed, huilt hij droevig naar de maan,
speurt de hemel
af en
daar, noordwaarts, schuin onder de Kleine Beer, beschermd door de
Draak en vlak onder de Zwaan ziet hij zijn geliefde Vosje.
Anneke
Koehof, maart 2018 ©