maandag 3 juni 2013

AMSTERDAM AAN ZEE (DEEL 1 en 2)


Dit toekomstverhaal schreef ik al in 2008,
het bestaat uit twee delen

Uiteraard fictief

Amsterdam aan Zee 

(Deel 1 en 2)



Amsterdan aan Zee

Het is drukkend warm op die twaalfde maart van 2037, de dag dat de oude Koningin zal worden bijgezet. Negenennegentig jaar is ze geworden en tot het laatst toe heeft ze haar invloed uitgeoefend op de wijze waarop het land volgens haar moest worden geregeerd.


Bijna iedere dag bezocht Koning Willem IV haar om de regeringsproblemen te bespreken.

Hij streek over de tiptoets van een apparaat: een blad met twee koppen koffie gleed op het dienbuffet.

“Geef mij maar de ouderwetse lakeien zoals vroeger in Den Haag,” mopperde ze.

“Tja, moeder, er is nu eenmaal personeelsgebrek, zelfs hier.

“Waar is Maxima, is ze nu weer in Argentinië,” vroeg ze scherp. “Dat je dat goed vindt Alex, een koningin hoort bij haar man te zijn, naast haar man te staan”.

“Ach Moeder,” antwoordde hij “Laat haar nu maar, ze is daar graag, ze wordt hier gek van alle aandacht.

“Je bent veel te goeiig, altijd geweest, ze overheerst je”. Hij haalde zijn schouders op en keek naar buiten. Het paleis was omgeven door een brede gracht. In het Damrak zag hij de watertrams en watertaxi’s kris kras door elkaar varen, of eigenlijk nét boven het water zweven. De koeriers op hun snelle waterscooters bewogen zich er behendig tussendoor. Op de Dam was het druk, toeristen namen foto’s van het oude en het nieuwe monument, gooiden munten in de slotgracht en probeerden een glimp van het vorstenpaar op te vangen.

Hij was moe; de grote watersnoodramp van 2017 heeft een zware wissel op hem getrokken. Nauwelijks had hij het roer van zijn moeder overgenomen toen het land werd overspoeld. Hoe vaak had hij dit niet voorspeld, hij was tenslotte niet voor niets Waterbeheerder.

“Leg meren aan, maak bekkens waar het teveel aan water kan worden opgevangen, graaf de grachten in de steden weer open”. De Regering luisterde niet, achter zijn rug werd hij uitgelachen. Amsterdam was altijd tegen geweest: waar moesten ze met de auto’s heen? Nu was de stad praktisch autovrij. Aan de randen waren parkeerterreinen aangelegd.

Met zijn ogen volgde hij de magneetzweeftram richting strand. Op het dak van de Bijenkorf, de voorlaatste halte, stapten mensen in en uit.

Het leven gaat verder, wie denkt er nog aan de vreselijke ravage, aan de allesoverheersende stank van de overal drijvende lijken. Toen het water zich terugtrok was het verschrikkelijke pas zichtbaar en moesten er wel maatregelen worden genomen waardoor Nederland weer een waterland werd. Meren werden weer zee, de polders verdwenen alsof ze er nooit geweest waren en de zo omstreden Noord-Zuidlijn was weggezakt in de moerassige grond.

Zelf had hij zijn dierbaren tijdig in veiligheid gebracht. Bovenop de Utrechtse Heuvelrug had hij een paleis laten bouwen met zoveel vleugels dat de hele Koninklijke Familie er kon verblijven. Er was veel kritiek geweest, het had de schatkist zwaar belast, maar ze hadden de ramp overleefd, allemaal. De Oranjes zaten stevig in het zadel.

Met al zijn energie had hij de leiding van de wederopbouw persoonlijk ter hand genomen. In zee waren windmolenparken gebouwd en ook de luchthaven had daar een plaats gekregen. Zweeftreinen reden over hoge taluds en veel vervoer ging per schip. De grachten werden verbreed en er lagen waterwoningen van wel zes verdiepingen hoog, met op de daken grote zonnecollectoren.

Logisch dat Maxima haar vertier elders zocht, hij had te weinig tijd voor haar. De kinderen hadden hun eigen leven, Amalia werd onder de strenge leiding van zijn moeder klaargestoomd voor het koningschap.

“Ik moet weer eens gaan, moeder, ik heb een afspraak met de premier,” zei hij en gaf haar een kus.

“Ja, jongen, de plicht roept. En geef niet teveel toe, ze is geslepen, denk erom”.

Hij stapte op wat hij gekscherend “De vliegende hollander” noemde. Als in een flits vloog hij net boven de vloer door de lange gangen naar zijn werkkamer.

----



Vandaag wordt de oude Koningin bijgezet. De uitvaartdienst in de Westerkerk , moeders uitdrukkelijke wens, is net voorbij. Over de Amstel vaart de rouwstoet richting Delft. Maxima en hij staan op de voorplecht, de kist achter hen omringd door Mariniers, stram in de houding. Maxima houdt haar zwarte hoed met voile met haar rechterhand vast, haar karakteristieke houding die hem doet denken aan een klassieke filmscène.

Bij Carré speelt een orkest. “We’ll Meet Again” de klanken verwaaien over het water.

Een traan rolt over zijn wang.



Anneke Koehof ©

geschreven in 2008











Dit deel bewerkte ik als zelfstandig verhaal 

voor 'Schrijvers uit Oost',  laatste editie.

Het onderwerp : Water in Oost.






Amsterdam aan Zee (deel 2)



E caldo vanavond, heel warm. De terrassi aan zee, waar vroeger het Flevopark begon, zitten nog vol, niet alleen met toerists, maar juist met de habitués, gewone families uit de buurt. Een accordionisto trekt de aandacht en het publiek neuriet vrolijk mee. Mama zit achter haar Knickerbocker Glory, papa nipt van zijn anisette en de kleine Paolo likt aan een gelato-fragola.

'Is je ijsje lekker?' vraag ik aan het jongetje. Hij geeft geen antwoord, ach natuurlijk, hij verstaat me niet.

Ik bestel een broodje ham, panproscuito heet dat tegenwoordig in het bizarre Neditanglo, dat langzamerhand de voertaal is geworden.

Hoe warmer het werd, hoe mediterraner men zich ging gedragen.

Ik kijk om me heen, alles is brandschoon, een van de verworvenheden van na de 'Grote Watersnood', maar verder is het er niet beter op geworden.

Ouderen worden ingezet om de straten schoon te houden. De AOW is drastisch verminderd, waardoor ze nauwelijks kunnen rondkomen.

Ik mag niet mopperen; dankzij mijn kleindochter ken ik een aantal Primo’s, ragazzi in invloedrijke comités die mij in de buurt van de vroegere Dappermarkt nog aan een kleine paalwoning hebben kunnen helpen.

Plotseling is er consternatie op het terras. Een oude man holt weg met een broodje dat hij uit de handen van een kind heeft gegrist. De vader van het snerpend gillende meisje rent achter de man aan en geeft hem een klap in het gezicht, wat de terrasbezoekers in gejuich doet uitbarsten. Als uit het niets komen twee geüniformeerde vrouwen tevoorschijn die de hevig tegenstribbelende bejaarde meenemen.

Een gevoel van medelijden maakt zich van mij meester. Hoe hongerig moet je zijn om van een kind te stelen? Maar ik bemoei me er niet mee, voor je het weet keren ze zich tegen mij.

Het meisje blijft jengelen en krijgt een nieuw broodje van de uitbater die zich uitvoerig excuseert, zijn toezichthouders hebben niet goed opgelet, basta.

Over het terras zoemt weer het voor mij nog altijd vreemde gebrabbel. Doezelig droom ik weg.

Het is vandaag 27 april 2038, Koningsdag, en deze dag zou extra feestelijk gevierd worden, in tegenstelling tot vorig jaar, toen de oude Koningin overleed. Negenennegentig is ze geworden! Ik zie niet heel veel verschil met een gewone dag; het koningshuis leeft tegenwoordig niet meer zo, al moet gezegd worden dat de Koning met veel energie de leiding over de wederopbouw op zich heeft genomen.

Nee, dan de vroegere Koninginnedagen, die werden uitbundig gevierd. De straten en bruggen waren bezet door kraampjes en kleedjes, waarop overtollige spullen werden aangeboden, je kon over de hoofden lopen en er was overal muziek.

“Als u niets meer gebruikt, piss off, ” snauwt de serveerster mij toe. Ik schrik nog altijd van de toon die jongeren aanslaan tegen mensen van onze leeftijd. Moeten we dan eeuwig worden gestraft voor wat we volgens hen hebben misdaan?

De ernstige depressie, de bankval en zeker de grote watersnood, allemaal onze schuld, want onze generatie was niet alert genoeg om de gevaren op tijd af te wenden. Een groot deel van Amsterdam liep onder water, IJburg, Amsterdams trots, werd ondanks de waterkeringen en de extra zandlagen gewoon weggespoeld...

“Nou, komt er nog wat van? Een beetje presto, ja!”

Ik betaal en ga maar eens op huis aan. Het is ook bijna geritime.

De gondels, tegenwoordig een gewoon beeld in de stad, verdringen zich om als eerste onder de bruggen door te komen, waarbij de gondeliers in niet mis te verstane bewoordingen hun rechten opeisen. Watertrams en taxi’s varen af en aan, terwijl pizzakoeriers er zich op hun snelle waterscooters behendig tussendoor bewegen.

De boot naar de Dappergracht zal zo wel komen.



Anneke Koehof ©


Verklarende woordenlijst:


Neditanglo : door Italiaans en Engels beïnvloede Nederlandse taal

E caldo : het is heet

Terrassi : terrassen

Toerists : toeristen

Habitués : buurtbewoners

Accordionisto : accordeonist (muzikant)

Knickerbocker Glory : ijscoupe

Anisette : anijsdrank

Gelato-fragola : aardbeienijsje

Primo’s : vooraanstaanden

Ragazzi : jongeren

Panproscuito : broodje ham

Piss off : verdwijn

Presto : snel

Geritime : de tijd dat ouderen niet meer buiten mogen komen.






zaterdag 4 mei 2013

NELLEKE









Dit verhaal zond ik in naar 'Schrijvers uit Oost', in het kader van de wedstrijd 'Schrijf je straat'.


Ter nagedachtenis aan Nellie,


een meisje uit mijn straat, begin 1945

doodgeschoten door de Grüne Polizei.

Nelleke

'Karel Eén brak zijn been, Karel Twee dronk een kopje thee, Karel Drie... '

Nelleke kaatst de ballen beurtelings tegen de muur, ze heeft ijskoude handen en daardoor is het moeilijk ze op te vangen.

'Hè Nel, ga eens even een poosje naar buiten,' had mamma gemopperd.

Nu de scholen wegens brandstofgebrek gesloten waren, liep het kind haar geregeld voor de voeten.

'Karel Vier, dronk een glaasje bier...'

Ina van de overkant komt erbij staan, maar Nelleke negeert haar.

'Karel Vijf, sloeg zijn wijf...'

'Mag ik meedoen?'

'Nee', antwoordt Nelleke bot.

'Waarom niet?'

'Dat weet je ook wel, daarom niet!'

Teleurgesteld druipt Ina af. Nelleke vindt het best zielig, maar ze mag nu eenmaal niet met Ina spelen.

Wee van de honger en de kou leunt ze tegen de deur van Casper, die nu bij zijn oma woont, omdat zijn moeder is doodgegaan.

'Dat arme mens,' had ze mamma horen zeggen. 'Haar man zit in een werkkamp door die vuile verraders, en zij heeft zich rot gewerkt om haar kostje bij mekaar te scharrelen, logisch dat ze er onderdoor is gegaan bij de bevalling'.

Waar ze precies onderdoor is gegaan begrijpt Nelleke niet, ze weet wel dat het babyzusje van Casper nu bij de melkboer woont. Kon zij daar maar wonen, ze is bijna vergeten hoe echte melk smaakt, wat ze nu krijgt is dun en waterig, net als de aardappelschillensoep uit de gaarkeuken. Ze is broodmager door ondervoeding, haar benen zijn lang en stakerig, net als haar armen, die uit de mouwen van de te krap geworden winterjas tevoorschijn komen.

Gisteren kwam ze op het Javaplantsoen weer die Duitse soldaat tegen, hij kijkt haar altijd heel vriendelijk aan.

'Ach, du schönes blondes Mädchen, ich habe ein Töchterchen wie du'.

Hij hield haar een reep chocolade voor, maar al heeft ze nog zo'n honger, ze mag niets aannemen van een Duitser. Strak keek ze naar de grond, hij moest lachen om haar standvastigheid.

Nelleke zucht, ze had best een stukje chocolade gelust en anders haar zusje Vera wel. Eigenlijk is het haar zusje niet, maar haar buurmeisje. Toevallig speelde Vera die middag bij hen, toen er ineens geschreeuw en gestamp op de trap van de benedenburen klonk. Mamma zat als verstijfd, ze zag spierwit en hield haar vinger tegen haar lippen. Even daarna hoorden ze weer gestommel. Henk, Nelleke's broer, keek naar buiten.

'Ga bij dat raam weg', siste mamma hem toe.

'Ze worden in een vrachtwagen geduwd,' zei hij geschrokken, 'ze gaan vast en zeker naar het Oosten'.

'En Vera dan,’ vroeg Nelleke, 'die kunnen ze toch niet zomaar achterlaten?'

'Vera blijft hier,' bitste haar moeder.

'Van nu af aan is ze jullie zusje en denk erom, jullie houden je mond, niemand mag dit weten, anders komen die rot moffen haar ook nog ophalen'.

In het begin huilde het meisje veel en vroeg naar haar eigen moeder, maar later ging dat over.

Buiten spelen mag ze niet en als er visite komt moet ze naar de zolderkamer. Nelleke kijkt wel uit om het aan iemand te verklappen, want dan zou haar wat boven het hoofd hangen heeft haar moeder gedreigd.

Je kan beter maar niet te veel aan mamma vragen, die is tegenwoordig zo gauw boos. Zoals die keer dat Nelleke dacht dat ze haar vader had gehoord. Hij was al maanden niet thuis geweest, maar op een avond, toen ze niet kon slapen, hoorde ze hem en mamma zacht lachen, ze wist het bijna zeker.

'Is pappa terug?' vroeg ze de volgende ochtend. Ze zag Henk en mamma een snelle blik wisselen.

'Hoe kom je daar nu weer bij', antwoordde haar moeder korzelig, 'je zal het wel gedroomd hebben!' Nelleke had niet verder durven vragen.

Wat zou ze nu eens gaan doen? Haar broer is met zijn vrienden naar de Rietlanden. Ze is daar wel eens geweest met haar moeder om brandstof te zoeken voor het noodkacheltje, maar haar broer wil haar niet mee hebben.

'Veel te gevaarlijk voor meiden, Sperrgebiet, ' benadrukt hij. Ze zoeken naar sintels en stukjes hout, maar dat is verboden. De bewakers zijn heel streng en volgens Henk schieten ze zelfs op kinderen, al kan ze dat bijna niet geloven.

Toch weet Henk er veel van. Hij hangt 's avonds uit het raam en doet opgewonden verslag van de luchtgevechten boven de Diemerzeedijk. Daar staat het afweergeschut om de Duitse schepen te beschermen tegen de aanvallen van Engelse jagers. Voor Henk is oorlog een spannend avontuur, maar Nelleke houdt doodsbang haar oren dicht voor het gillen van de gevechtsvliegtuigen en het gedonder van het geschut. Ze smeekt hem het raam dicht te doen.

Als ze nu eens stiekem tóch naar De Rietlanden ging? Wat zou mamma blij zijn als ze wat kooltjes had. Schichtig kijkt ze naar boven of haar moeder niet voor het raam staat.

Ze holt de hoek om in de richting van de Zeeburgerdijk en dan de brug over naar het abattoir. Getver, wat stinkt het hier toch, haar maag draait om.

Ze is nu bij het rangeerterrein en daar zijn de hijskranen van de havens al. Gek, ze ziet helemaal geen bewaking.

O jee, nu moet ze nog heel nodig ook, ze kan het bijna niet ophouden. Ze kruipt weg achter een goederenwagon en laat haar plas opgelucht lopen. Er holt een groep jongens voorbij, ze herkent haar broer er tussen, gelukkig ziet hij haar niet.

Het begint al te schemeren als ze onder een hijskraan iets ziet glinsteren, kooltjes misschien? Ze kijkt om zich heen, niemand te zien, ze woelt met haar handen door de aarde.

Ineens een schreeuw en het geblaf van een hond. Verschrikt vliegt ze op, ze hoort de knal nog voordat ze achterover valt…




'Ach nein, nicht das Mädchen'.




Anneke Koehof ©

FICTIE











donderdag 25 april 2013

NAAR DE BRIEVENBUS

        Hendrik met Tripper
       Fleur met Jord
 
 
 
 
                                 
Voor mijn schrijfcursus moest ik een verhaal maken over 'een reis naar dichtbij'
Hiervoor heb ik gekozen voor een bewerking van het verhaal over mijn wandeling naar de brievenbus met Hendrik en Fleur, een verhaal dat mij heel dierbaar is. Ik heb het oorspronkelijk geschreven in 2005 en met een Libellewedstrijd heb ik er een workshop 'columns schrijven' mee gewonnen.  Een beter verhaal over een reis naar dichtbij had ik niet kunnen bedenken!
 
 
Een reis naar dichtbij
Ze hebben een tekening gemaakt voor hun tante in België, Fleur en Hendrik, mijn kleinkinderen van twee en drie jaar.

'Zullen we de brief voor Marleen wegbrengen?'

'Helemaal naar Belgenland, oma?' vraagt Hendrik, 'dat is een verre reis!'

'Nee joh, we gaan hem in de brievenbus doen, dat is een reis naar dichtbij', antwoord ik.

Ik wil met de poppenwagen oma, Poppejord moet ook mee, en de honden’ zegt Fleur.

Vooruit dan maar,’ zucht ik.

Hendrik heeft het nog even druk bij het mierennest in een hoek van de tuin. Roerend met een stokje brengt hij het opmarcherende mierenleger in complete chaos.

Kom nou, die mieren zijn er straks ook nog wel’.

Hendrik besluit dat hij Pieter Post is. Bij elk tuinpad wordt zijn fietsje neergezet om denkbeeldige post in de brievenbussen te stoppen. Benzine tankt hij aan een overhangende twijg.

De honden vinden het maar niets, het gaat ze veel te langzaam en ik houd ze met moeite in het gareel.

Oma, oma, niet zo hard,’ roept Fleur. Het poppenwagentje met de houten wielen rijdt niet erg soepel en nu loopt er ook nog een wiel af af. Met moeite herstel ik het euvel.

Gelukkig, daar is de brievenbus.

'Ik mag de brief erin stoppen, nee ik, nee ik, roepen ze in koor'. Ik til ze allebei op zodat ze de envelop samen in de bus kunnen doen.

'Dag Marleen', roepen ze in de gleuf.

Op de terugweg moeten we telkens stoppen voor zogenaamde stoplichten. Bij ‘rood’ commandeert Hendrik ons tot stilstaan en bij ‘groen’ mogen we weer verder.

De poppenwagen heeft het nu definitief begeven, alle wielen zijn er afgelopen en Poppejord ligt op de grond. Met aan mijn ene hand de honden, aan de andere Fleur en de onderdelen van wat ooit een poppenwagen was, vervolgen we de reis naar huis.

Moet opa maken, hè,’ zegt Fleur, met grenzeloos vertrouwen.

Als we eindelijk thuis zijn holt Hendrik meteen weer naar het mierennest. Gespannen bekijkt hij de nijvere beestjes.

Weet je oma, voor de mieren is de tuin de hele wereld'.



Anneke Koehof ©

 

woensdag 10 april 2013

HOP MARJANNEKE

De schrijfopdracht was: werk een mooie of leuke jeugdherinnering om tot een echt sprookje

De herinnering die ik had was aan mijn tijd als baby en peuter bij mijn pleegouders. Zij namen mij in huis na het overlijden van mijn moeder. Ze hadden een melk/kruidenierszaak en verkochten ook stroop uit een vat. De 'mare' gaat dat ik stroop wilde pikken en daarbij mijn evenwicht verloor en in de stroop terecht kwam. Onder de winkel was een kelder die veel indruk op mij maakte. Het heeft lang geduurd voor ik daar, onder begeleiding, een kijkje mocht nemen.


Marjanneke (Verspronck, 1600-1662)


Hop Marjanneke

Er was eens een lief prinsesje dat Marjanneke heette.

Als ze op de schouders van de Koning door de paleisgangen galoppeerde zong hij:

'Hop Marjanneke, Stroop in 't Kanneke', want ze was dol op die zoetigheid, terwijl de Koning er juist zo'n hekel aan had.

'Iedere maandag die vervelende Ministerraad', mopperde hij. 'Ze smeren me alleen maar stroop om de mond'.

Daarom verbood hij alle stroop in het land, behalve één vat, en dat stond in de Geheime Koninklijke Kelder. Slechts één maal per maand mocht de keukenmeid een kannetje uit het vat tappen en dan bakte ze speciaal voor Marjanneke drie pannenkoekjes met stroop.

Op een nacht had ons prinsesje zo'n vreselijke trek, dat ze blootsvoets door de koninklijke gangen dwaalde op zoek naar de geheime kelder.

Ze was al bijna verdwaald toen ze wel dertig stroopsoldaatjes in het gelid zag staan.

'Wat doen jullie hier?' vroeg ze nieuwsgierig.

'Wij bewaken het vat met gouden stroop', antwoordden ze.

'Laat mij er onmiddellijk door, ' commandeerde de prinses.

'O, nee, dat mag niet van uw vader, De Koning'!

'Dan zal ik mijn maatregelen moeten treffen', sprak ze. 'Jullie laten mij erdoor, of ik eet een soldaat op!' Ook een lief prinsesje moest soms meedogenloos zijn en ze stelde een daad.

Geschrokken lieten de soldaatjes haar door en zo betrad zij de geheime kelder waar een hoog vat stond, STROOP stond erop, het kon niet missen.

Via een laddertje klom ze omhoog en boog zich over de rand om een likje te nemen van dat heerlijke zoet, waardoor ze haar evenwicht verloor en met spartelende beentjes in de stroop verdween. De soldaatjes sprongen haar nog na, maar konden haar niet redden.

Toen ze dacht dat ze bijna zou stikken kwam ze in een gouden luchtbel terecht en zweefde weg.

'Waar ben ik', vroeg ze verbaasd. Ze zag huisjes van suikerwerk, met daken van speculaas en allemaal snoepende kinderen. Ze aten zuurstokken, wijnballen, mariakaakjes en chocolade en de stroopsoldaatjes moesten rennen voor hun leven.

Je bent hier in Bickertjesburg zei een ontzettend dikke jongen, die een Prins bleek te zijn. Hij heette Prins Bicker, eigenlijk Prins Dicker, maar dat woord had hij verboden.

Zijn leger van drie-in-de-pan marcheerde door de Muntendropstraten.

'Daar komen de Bickertjes, daar komen de Bickertjes', riepen ze in koor.

'Ik zou best met je willen trouwen', zei de prins, 'maar pas als je net zo bick bent als ik'.

Dat leek Marjanneke wel wat, ze snoepte en snoepte, totdat ze schoon genoeg had van dat kleverige goedje en weer eens weg wilde. Maar dat ging zomaar niet. Na een gevecht tussen drie-in-de-pan en stroopsoldaatjes bereikten ze het gat in het vat waar de kurk in zat, maar ze paste er niet door.

Marjanneke huilde hete tranen, waardoor de stroop vloeibaar werd, en zij met de stroom mee naar buiten dreef.

Zo vonden de Koning en de Koningin haar 's morgens helemaal kleverig in haar hemelbedje.

En Marjanneke? Die leefde nog lang en gelukkig



Anneke Koehof ©
fictie 


stroopsoldaatjes





                  


                                                   Prins Bicker (van der Helst 1613-1617)




 
 










DE KRAS


Voor mijn schrijfles kreeg ik als onderwerp een kras in het verfwerk van het kozijn in de Bibliotheek.
Mijn opdracht : vertel hoe deze kras er zou kunnen zijn gekomen...
          Het kan tevens de aanzet zijn tot een geheel nieuw verhaal.

 
De kras

Vroeger was het een perfect geschilderd kozijn, geen oneffenheid te zien.

Het voelde aan als een zijden laken, rimpelloos en gladgestreken, net als mijn leven.

Tot die avond dat ik ineens buiten stond met wat snel bijelkaar gezochte spullen en mijn schrijfsels, vooral die...


Halfhollend loop ik de lange dorpsweg af, schichtig kijk ik naar de voorbijschietende auto's, alsjeblieft, geen bekenden.

Als ik bij de halte aankom is de bus net vertrokken, de volgende gaat pas over een uur.

De winkels zijn al gesloten, behalve de bibliotheek, daar brandt nog licht.

Het is er behaaglijk en stil en ik zoek een rustig hoekje bij het raam, waar ik met brandende ogen van het vele huilen de donkere avond intuur. Toch ben ik vastbesloten, ik moet hier weg.

Ik laat mijn hand zoekend door mijn tas gaan en stuit op de kleine wijnopener.

Het is een dierbaar cadeau. Bijna liefhebbend strijk ik over het glanzend gladde okerkleurig heft, dat alle functies in zich verbergt om de beste fles wijn te open

Met een lichte druk van mijn duim richt het mesje zich bijna te makkelijk op. Ik kijk om mij heen, niemand te zien, ik kerf het mesje in het kozijn en maak een diepe kras, net als op mijn ziel.


Anneke Koehof ©
fictie

31 maart 2013




donderdag 28 maart 2013

TWEE DAGEN UIT HET DAGBOEK VAN EEN TULP

Voor mijn schrijfcursus kregen wij de opdracht om een meegekregen tulp neer te zetten, echter zonder water. Daarna moesten wij een of meerdere dagboekfragmenten schrijven, alsof de tulp zelf aan het woord was. Onderstaand mijn bijdrage.
TWEE DAGEN UIT HET DAGBOEK VAN EEN TULP
Woensdag 20 maart 2013
. Lieve lezers van dit dagboek, mijn naam is TULIPA. Wist u dat wij verre familie zijn van de Koninklijke Lelie? Dat is de reden dat wij zo mooi wuiven. Nog niet zo lang geleden stonden wij bevallig wiegend bij elkaar, we waren één grote familie. Wij trotseerden sneeuw en kou, spraken elkaar moed in en hielden elkaar bij storm en regen overeind. Voor jullie mensen mag het dan klinken als ruis en ritsel, in werkelijkheid praten wij honderduit. Totdat we op een dag wreed werden gescheiden van onze voedsters, die onder hun bolrokken alweer nieuw leven lieten groeien. In bosjes van tien werden we in dozen gestopt totdat we, na een uitputtende reis, uiteindelijk bij elkaar in een emmer werden gezet. Het uitzicht was riant, daar niet van, maar toch weenden wij zeer, want we voelden dat we spoedig afscheid van elkaar moesten nemen. Een mevrouw nam twee bosjes van ons mee naar een grote warme ruimte met veel boeken. We werden op tafel gelegd en snakten naar water, het was er zo warm! Wat er daarna met mij gebeurde is traumatisch te noemen, ik verdween in een donkere tas en weer begon een reis, niet zo lang dit keer, maar leuk was het niet. Gelukkig mocht ik er uit en werd in een oude krant gerold, het duizelde me. En nog steeds geen water, waar heb ik die behandeling aan verdiend? Uiteindelijk belandde ik op een bureau in een oude fles zonder ook maar een druppeltje nat. Mijn hals is geknakt en ik laat mijn kopje hangen. Gaat dit mijn einde worden, moet ik op de eerste Lentedag sterven, moet ik sneven in de knop? 'Het is een opdracht', hoor ik zeggen, 'een opdracht voor de schrijfkunst, er mag absoluut geen water bij.' Is dit mijn lot? Sterven Voor De Kunst? Maar dan, heel kordaat, word ik uit de fles gehaald, ik voel een korte, snerpende pijn en water, fris helder water, gretig slurp ik het op en dan sta ik in een koele, donkere hal. Ik wil slapen, slapen...
Donderdag, 21 maart
. Ik had een bijna-doodervaring, maar ik ben niet dood, ik leef! Hoera, leve de Lente, kijk eens hoe fleurig ik er weer bijsta met uitzicht op de Ouwe Wester! En hoor, het carillon laat een wijsje de werkkamer binnen dwarrelen: “Als de Lente komt dan stuur ik jou tulpen uit Amsterdam.” Ik zucht, wat kan een tulp nog meer wensen?

Anneke Koehof ©
fictie 

zondag 24 maart 2013

DE HEILIGE MAGDALENA

Deze foto is uit 1979. Ik vertrok al in 1963

Met dit verhaal behaalde ik de 3e plaats bij de Schrijfwedstrijd van 'Schrijvers uit Oost'. De bijeenkomst was in Frankendael en het thema was dit keer 'Buren'.

Mijn allereerste eigen woonplek was een oude hoekwoning op drie hoog in de Oosterparkbuurt. Als de katholieke buurtgenoten 's morgens in alle vroegte naar de Bonifaciuskerk werden gebeierd, leek het alsof ik in de klokkentoren lag, het hele huis dreunde mee. Beneden mij, op twee hoog, woonde een graatmagere dame, een voormalige lichtekooi met een ooit rijk bloeiende praktijk ergens in Limburg. Ze heette Magdalena ('Zeg maar Lena, meid') en leek een beetje op een toverkol, omdat neus en kin naar elkaar toe groeiden, nee, mooi was ze niet. Uit haar erotische verleden vertelde ze obsceniteiten waarvan ik het bestaan niet had durven vermoeden en ze beweerde dat ze nog regelmatig heren ontving, liefst drie tegelijk. Wat die allemaal met haar deden werd mij, regelmatig onderbroken door een verschrikkelijke hoestbui of een rasperige lach, in geuren en kleuren uit de doeken gedaan. Ik moest er niet aan denken om in het donkere trappenhuis tegen een van haar klanten op te lopen... Voor mij had Lena moederlijke gevoelens, ze waarschuwde me voor de gevaren van het leven en drukte mij op het hart nooit een man te vertrouwen, want mannen wilden maar één ding, en voor je het wist zat je in het leven... Middenin de nacht zong ze met haar Halfzware Van Nellestem liederen over Bronsgroen Eikenhout en Wie sjoen os Limburg is, al wist ze ook daar haar eigen onzedelijke teksten op los te laten. Hoe meer drank, hoe schunniger het lied. Was de alcohol op dan huilde ze met lange uithalen, kreeg angstvisioenen en kroop in de kast. Op een avond, tegen middernacht, zag ik aan de overkant een groepje mannen lacherig en wijzend naar boven kijken. Ik begreep niet wat er aan de hand was, al hoorde ik haar op de ramen bonken. De overburen vertelden mij later dat de heilige Magdalena regelmatig in Evakostuum, met vlammende toorts aan het manvolk verscheen. Wegens wanbetaling waren gas en licht afgesloten en ze liep met opgerolde brandende kranten door het huis voor wat warmte, maar was niet te beroerd om daarbij haar oude vaardigheden op peil te houden. De buurvrouw werd regelmatig bezocht door ambtenaren van de Sociale Dienst of andere instanties, die door haar avances of bedreigingen niet wisten hoe snel ze de trap weer af moesten komen, maar haar toestand werd onhoudbaar. Toen ze tenslotte moest worden opgenomen ging ze tekeer als een wild dier. Ze sloeg, schopte en beet om zich heen en de politie moest eraan te pas komen om de ambulancebroeders bij te staan. Uiteindelijk lag ze, vastgebonden en gedrogeerd, op een brancard, ze keek me hartverscheurend aan, ik schaamde me dat ik niet meer voor haar had kunnen betekenen en keek toe hoe ze voorgoed uit mijn leven verdween.

Anneke Koehof ©

24 maart 2013


Juryrapport aflevering #5 Schrijvers uit Oost
De jury van Schrijvers uit Oost is wederom zeer verheugd dat bewoners van Oost en daarbuiten de
pen ter hand hebben genomen en hun werk opstuurden. Deze jury bestond dit keer uit de schrijvers en redacteurenMarian Boyer, Teuntje Klinkenberg, Maaike Bergstra, Wouter Bok en Claartje van den Broek.
Het thema 'buren' zette veertien inzenders aan tot poëzie, persoonlijke herinneringen, gesproken wo
woord en proza. We lazen over lastige, dierbare en opmerkelijke buren, over verlangen naar oude en
andere buren, over bemoeizieke buren. Herkenbaar en karakteristiek voor het levendige wonen in de stad.
Opvallend veel van de schrijvers slaagden er in enige gelaagdheid in hun werk aan te brengen,
waardoor het aan zeggingskracht won. Het was interessant om te zien dat sommige inzenders naar
eerdere teksten verwezen, waar wij in vorige afleveringen kennis mee mochten maken.
 Naast de drie teksten die we hieruit als beste hebben gekozen, is er de eervolle vermelding.
De derde plaats gaat naar een auteur die met haar inzending een nieuwe weg inslaat. Anneke Koehof,

'als gretig afnemer van je werk is de jury aangenaam verrast over de wijze waarmee je de prostituerende buurvrouw Magdalena in 'De heilige Magdalena' een gezicht geeft, en hoe ze de buurvrouw is van je eerste zelfstandige woning - en uiteindelijk door een ambulance naar het gesticht wordt gebracht'.
Het onderwerp leent zich voor een scherpe stijl. Wars van nostalgie geef je daar met eerlijke stem je draai aan.