donderdag 26 juni 2014

STRANDEN IN OOST


Dit verhaal schreef ik voor een opdracht van 'Schrijvers uit Oost', in het kader van 'Schrijf je Straat', met als onderwerp: Stranden in Oost.
Het is een verdere uitwerking van een eerder verhaal ''De Kras' dat ik publiceerde op 10 april 2013.
Het is een fictief verhaal, dus elke gelijkenis berust op toeval
 
      
 
 
 
Stranden in Oost

Het is een perfect geschilderd kozijn, zonder enige oneffenheid, bijna te volmaakt.

Het voelt aan als een zijden laken, rimpelloos en gladgestreken, net als mijn leven, tot vanavond.



Ineens sta ik buiten met wat snel bij elkaar gezochte spullen en mijn schrijfsels, vooral die...

Half hollend loop ik de lange dorpsweg af, schichtig kijk ik naar de voorbijschietende auto's, alsjeblieft, geen bekenden.

Als ik bij de overdekte halte aankom is de bus net vertrokken, de volgende gaat pas over een uur.

Toch ben ik vastbesloten, ik moet hier weg.

In een hoekje probeer ik me zoveel mogelijk te beschermen tegen de striemende regen en de wind, die hier altijd lijkt te waaien.

Ik overdenk de afgelopen uren, de ruzies, het geschreeuw en het allerergste, de vernedering, toen hij voor mijn ogen mijn bril in zijn vuist vermorzelde. Dat zou me leren, met mijn stomme verhaaltjes en mijn mails aan die kerel, die me zo goed begreep.

Huilend smeekte ik hem mij dit niet aan te doen, zonder bril was ik niets waard, maar het was al te laat, de bril lag verbogen en gebroken op de grond.

Met gierende banden en opspattend grint scheurde hij de oprit af en liet mij in totale ontreddering achter. Dat met die bril was voor mij het breekpunt, dit kon ik niet met mij laten gebeuren.

Overstuur belde ik 'die kerel', hij was nog aan het werk, klonk toch wat geschrokken, maar herstelde zich en we spraken af dat ik naar Amsterdam zou komen, hij zou me nog een sms'je sturen over de ontmoetingsplaats.

Ik graaide wat spullen bij elkaar, vond gelukkig nog een oude bril in mijn nachtkastje, stopte de ordner met mijn verhalen in een plastic tas en dacht er aan mijn mails uit de computer te verwijderen.

In de bus ben ik zowat de enige passagier. De chauffeur kijkt mij bevreemd aan, ik zal niet de mooiste zijn met mijn opgezwollen gezicht en ogen klein van het vele huilen.

Op het stationsplein hangen wat jongelui rond en in de ticketshop staat een lange rij, ik haal net op tijd de trein naar Amsterdam en zit nog wat na te hijgen als mijn telefoon de bekende blieps laat horen, een bericht. 'Kom naar de OBA op het Javaplein, daar pik ik je op'. Er volgen nog wat aanwijzingen over de te nemen trams, het lijkt me niet al te moeilijk.

De boodschap is duidelijk, vanuit zijn werk rijdt hij via het Javaplein zo naar IJburg, waar hij een appartement heeft gehuurd, splinternieuw en vlakbij het strand.

Ik ben er één keer met hem geweest, via de brug, die uit de verte op een bh lijkt, reden we over een brede weg langs hoge balkonloze woningen naar een strandpaviljoen, Blijburg geheten. Een soort reizende locatie vertelde hij toen, waar huizen komen, moet Blijburg weer verkassen en een nieuwe plek veroveren.

Ik vond het er wat mondain, er werd gezwommen en gesurft, ik keek mijn ogen uit.

Waar vroeger water was zover het oog reikte, was een hele stad verschenen, die ook nog bij Oost bleek te horen... Ik voelde me een trutje uit de provincie, iedereen daar leek zo hip en vrij. Bovendien was ik als de dood iemand uit mijn dorp tegen te komen, al leek dat daar niet al te waarschijnlijk.

Ik zie de lichtjes op het IJ, als de trein, schommelend als een schip met zijwind, het Centraal Station nadert.

Op het Javaplein is alles al donker, alleen de fel verlichte bibliotheek is nog open.

Het is er behaaglijk en stil, ik zoek een rustig hoekje bij het raam, waar ik met brandende ogen de donkere avond in tuur en gedachteloos over het zijdezachte kozijn strijk.

Het wachten duurt lang, ik heb dorst maar de koffieautomaat is defect. Ik kijk voortdurend op mijn horloge, hij is al een half uur te laat.

Een baliemedewerker ruimt wat boeken op, in mijn buurt blijft hij duidelijk nieuwsgierig talmen.

'Kan ik u misschien helpen?' vraagt hij vriendelijk.

'Eh nee, dank u, ik zoek straks wat boeken uit', antwoord ik.

Na nog een uur wachten besluit ik een sms te sturen, er komt geen antwoord en ik begrijp dat hij niet meer komt, nooit meer. Ik ben hier gestrand en de bibliotheek moet straks sluiten.

Ik voel behalve verdriet, ook woede opkomen.

Zoekend laat ik mijn hand door mijn tas gaan en stuit op de kleine wijnopener.

Het is een dierbaar cadeau. Liefhebbend strijk ik over het glanzende okerkleurige heft, dat alle functies in zich verbergt om de beste fles wijn te ontkurken.

Met een lichte druk van mijn duim richt het mesje zich bijna te makkelijk op.

Dan kijk ik om mij heen, niemand te zien, venijnig kerf ik het mesje in het kozijn en maak een diepe kras, net als op mijn ziel.



Anneke Koehof

802 woorden, fictie

13 juni 2014






zondag 22 juni 2014

DE TRANENKOUSJES

8e Montessorischool, Zeeburgerdijk, Amsterdam

Deze herinnering schreef ik   
voor Het Geheugen van Oost.
Met dank voor het gebruik van
de foto's.
 
 
 
 
 
 



De tranenkousjes
Vroeger op de lagere school, in mijn geval de 8e Montessorischool op de Zeeburgerdijk, had ik op dinsdagmorgen steevast buikpijn. En niet zo'n beetje, nee, echte buikpijn, met van die steken, waar ik wit van om de neus zag.
Al gauw kwam mijn moeder er achter dat het iets te maken had met de handwerkles, dus thuisblijven was er niet bij. Ik was als de dood voor de handwerkjuf. Eigenlijk waren het er twee, het was een tweeling die zo op elkaar leek dat ik het verschil niet zag.
In mijn herinnering waren ze allebei lang en slank, met steil zwart haar, maar wie van de twee ik voor me had zou ik niet weten, zoals ik ook hun namen ben vergeten, maar dat kan te maken hebben met verdringing.
Ik was een zeer onhandig meisje, eigenlijk altijd gebleven. Al liet mijn moeder me iedere dag 20 naadjes breien (volgens haar moest iedere vrouw dat later kunnen) ik leerde het nooit.
De babyslofjes die zij voor mij op vier pennen had opgezet, werden nog jaren daarna de 'tranenkousjes' genoemd, want ze waren stijf en hard geworden door mijn zoute tranen.
Op de jaarlijkse ouderavond lagen onze werkstukken trots op onze tafeltjes uitgestald. Nou, van mij lagen er alleen broddellappen en dat kreeg ik natuurlijk de volgende dag thuis te horen...
Dat ik al heel jong prachtig kon voorlezen en verhalen schreef maakte thuis geen enkele indruk, noch mijn zelfbedachte en opgevoerde toneelstukjes en dansjes. Een meisje moest haar handen kunnen roeren! Logisch dat de handwerklessen mij buikpijn bezorgden, de juffen waren in mijn geval niet bepaald vriendelijk en geduldig en ik wil ze het liefst helemaal vergeten.
Wat me nog wel helder bijstaat is de vrachtauto die op 26 september 1951 aan de overkant van onze school een huis was binnen gereden.
Daar was ik helemaal vol van en in mijn fantasie zag ik hoe een familie daar aan de ontbijttafel zat en ineens een bordje bij moest zetten... Want fantasie, dat had ik wel en gelukkig nog steeds!

Anneke Koehof ©
12 juni 2014

Zeeburgerdijk 99,
Vrachtwagen rijdt woning binnen
26 september 1951
 














woensdag 4 juni 2014

DE EMOTIE VAN GEUREN



Vissersscheepjes bij eb in Bretagne
 
    De opdracht  van de schrijfgroep
    was   'GEUR'

 
 
 
 
 
 
 
 
 




Een geur, plotseling opgevangen, doet je redeloos verlangen

naar die heerlijke vakantiedagen in Bretagne, aan het strand.

Het eindeloze warme zand, een kleverige kinderhand, de geur van

algen en van wier en van 'Moules Frites', in dat kleine restaurant.



De zuigende modder, tijdens eb door ons bewandeld,

de verveloze scheepjes, hulpeloos gekanteld, dragen nog de

geur van dieselolie en van teer, van zoutdoortrokken hout, en in

een kratje dat vergeten is, een vleug van licht bedorven vis.



De geur van zondoorstoofde keien, waartussen stekelige planten hun

kruidige aroma's in de warme lucht verspreiden, tot ze later weer

verzwolgen worden door het woest aanrollend water van het opkomend getij,

dat onder invloed van de maan altijd en eeuwig door zal gaan.



De warme geur van 'gaufres' uit het kraampje op de pier, de crêpes

met rum, de chantilly, Mor Braz, 't Bretonse bier, de bitterzoete cider en de

honinglikeur,  de zelf gevangen oesters met hun zilte smaak en geur...

Het zijn de emoties van de geuren, die mijn herinneringen kleuren.





Anneke Koehof ©

3 juni 2014
 

 



 





maandag 12 mei 2014

HET SLOT

                                                                                       



Een geleend plaatje uit de Bouquetserie
De opdracht :

schrijf een

Bouquetreeksverhaal,

het mag best een beetje

ondeugend zijn. 
 
 
fictie 
 
 
 






HET SLOT   (Een Bouquetreeksverhaal)




Er was post.

'Sud Romance'

'Uw reisorganisator naar Griekenland'.



Opgewonden las Olga de bijbehorende brief.


Geachte mevrouw,

Gefeliciteerd met de door u gewonnen prijs! Uw romantische reisverhaal over Griekenland was zo boeiend en knap geschreven dat de juryleden unaniem waren in hun oordeel: u bent uitgekozen om een week met de bekende schrijver Eric Schuytenvoerder op Kreta door te brengen. Voor alles wordt gezorgd...



Eric Schuytenvoerder, de knapste jongen van school, waar ze toen stapelverliefd op was, maar die haar niet zag staan. Ze droomde weg en zag hem voor zich, zoals hij in de jaarlijkse toneelvoorstelling de rol speelde van de 'jeune-premier'. Natuurlijk was zijn tegenspeelster het mooiste meisje van de klas, waarvan Olga smalend dacht dat ze haar eigen teksten niet eens begreep.

Hij was een beroemd schrijver geworden, een graag geziene gast in de bekende talkshows, al woonde hij tegenwoordig in Griekenland. In de woonbladen had ze zijn huis gezien: 'een voormalig vissershuis, fraai verbouwd, met patio en uitzicht over de blauwe zee.'

Daar schreef hij zijn bestsellers in eenzaamheid, want hij kon bij het schrijven niemand om zich heen velen, en al helemaal geen vrouwen, die waren hem te veeleisend.

Oh, hoe anders zou zij dat aanpakken, van haar zou hij geen last hebben.

Ze zou op kousenvoeten door zijn 'fraai verbouwde vissershuis' gaan, de grote schrijver met rust laten, hem verwennen met de heerlijkste hapjes, zijn bed opmaken met het fijnste koele linnen, bijna onzichtbaar, altijd geduldig, een glimlach om de lippen. Ze zou zich onmisbaar maken en wachten op de dag dat hij aan haar voeten zou neerknielen om haar, Olga, ten huwelijk te vragen...

Maar ze was al getrouwd, met Ton, die lieve betrouwbare Ton, die haar op zijn manier aanbad, al was die manier niet de hare, niet wat ze van een romantisch huwelijk had verwacht...

Maar ja, als de kraan stuk was repareerde hij hem, hij maaide het gras, deed zijn vuile sokken zelf in de was en zorgde dat ze niets tekort kwam.

En zij vond haar romantiek in het schrijven van liefdesverhalen, die ze deelde met haar lees en schrijfclubje, je kon niet alles hebben in het leven.



Toen Eric Schuytenvoerder zijn naam verbond aan deze prijsvraag aarzelde ze geen moment en schreef, zoals gevraagd, een spannend en romantisch verhaal, dat zich uiteraard in Griekenland afspeelde. Het verhaal was zelfs aan de ondeugende kant, ze had nog geaarzeld of het wel kon...



Ze liet het aan Ton lezen, even zag ze hem de wenkbrauwen fronsen, maar daarna grinnikte hij.

'Moet je doen schat, wie niet waagt wie niet wint, misschien houd je er een leuk reisje aan over, je kunt wel een kleurtje op je wangen gebruiken'.

Ja, ja, dacht ze, je weet gewoon dat ik toch niet in de prijzen val, anders liet je me niet zo makkelijk gaan met een oude liefde, al was die onbeantwoord...

Maar hij meende het, had zelfs de dikke envelop met haar verhaal van duizend woorden naar de brievenbus gebracht.



En nu deze brief, ze had de prijs gewonnen! Wat zou Ton hier van zeggen, ze had hem pas nog verweten zo lomp en onromantisch te zijn...

Wonder boven wonder zag Ton er de grap van in.

'Gaan, zo'n buitenkansje krijg je nooit meer!'



De avond voor haar vertrek vrijden ze. In haar fantasie was het Eric die haar betastte, Ton genoot.

'Ik heb iets moois voor je,' fluisterde hij. Hij kroop naar het voeteneind en trok haar iets aan. Een lingeriesetje?


'Klik', wat was dat?

'Je mag kijken.'

'Godverdomme, wat flik je me nu?'

'Ik heb het sleuteltje' antwoordde hij, het glinsterde in zijn hand.



---


De ontvangst in het afgesproken hotel was allerhartelijkst. Het was avond, duizenden sterren flonkerden aan de fluwelen hemel. Een hotelbediende bracht haar naar boven.

'Er wordt op u gewacht, mevrouw'.

De kamer was donker, onzeker stapte ze naar voren, iemand pakte haar hand en ze ervoer een zachte ademtocht, haar ogen werden bedekt. Ze werd op een bed gelegd en voelde zachte strelingen.


'Klak,' Hoe kon dit?

'Je dacht toch niet dat ik je aan een ander gun?'

'Ton?'

'Dit is niet het slot, dit is het begin,'antwoordde hij teder.





Anneke Koehof ©

3 april 2014

vrijdag 9 mei 2014

WEESPERPLEIN




Weesperplein

De zon schijnt die 1e maart in 1943, het weer trekt zich niets aan van de oorlog.

Hanneke loopt zo dicht mogelijk langs de huizen, alsof ze daar woont en elk moment een portiek binnen kan gaan. Ze is op weg naar de Joodse Invalide, waar opoe is opgenomen, het ging echt niet langer thuis.

Muiderschans heet de straat sinds vorig jaar. Sarphatistraat klinkt te Joods volgens de Duitsers, maar niemand gebruikt die nieuwe naam.


Ondanks de zon draagt ze haar lange shawl, waardoor de zo gehate gele ster aan het oog wordt onttrokken. 

Bijna vier maanden woont ze nu bij haar tante in de Vrolikstraat.

Ook toen kwam ze bij opoe vandaan, ze liep naar huis in de Pretoriusstraat, zag de Duitse legerauto en wist meteen dat het mis was. Er stonden soldaten bij de auto en onder het opwaaiend zeil zag ze de bovenburen zitten. Als aan de grond genageld bleef ze staan.

'Weiterlaufen', schreeuwde een soldaat en gaf haar een por met zijn geweer. Struikelend liep ze door.

Toen ze voorzichtig omkeek zag ze haar ouders naar buiten komen. De kleine Sara op de arm van haar moeder en Gerton aan haar hand. Daarachter haar vader en grootvader, ieder met een koffertje.

Heel even keek haar moeder haar kant op, maar ze wendde gelijk haar blik weer af, alsof ze vreemden waren.

De Duitse soldaat liep een paar stappen in Hanneke's richting.

'Schnell, schnell', riep hij dreigend.

Ze holde naar de Vrolikstraat waar ze buiten adem en overstuur bij tante Geesje aanbelde.

'Kind, kom gauw binnen, wat is er gebeurd?' vroeg haar tante geschrokken.

'Ze zijn opgehaald', snikte Hanneke, 'en wat moet ik nu, wat moet ik nu?'

Tante Geesje trok haar naar binnen en troostte haar tegen beter weten in.

'Jij blijft voorlopig hier,' zei ze, je kan daar niet meer naartoe'.

Tante Geesje, getrouwd met Hanneke's oom, was niet Joods en daardoor

gevrijwaard van deportatie. Om haar niet in gevaar te brengen had oom Hartog zich aangemeld; behalve een briefkaart uit Vught hoorden ze niets meer van hem.

De volgende dag besloot tante Geesje naar de Pretoriusstraat te gaan om wat kleding van Hanneke op te halen, maar de deur was dichtgespijkerd en toen ze door het raam naar binnen keek zag ze dat de huiskamer helemaal leeg was, de gordijnen waren van de roedes gehaald en zelfs het goedkope zeil was van de vloer getrokken.

'Ze hebben al gepulst, hoor ', riep een vrouw die verderop uit het raam hing.

Tante Geesje wist genoeg...

Ze hadden nog een keer een brief gekregen uit Westerbork, waarin haar vader vertelde dat ze naar het Oosten zouden gaan om daar te werken. Het ging naar omstandigheden goed, al huilde Saartje veel, ze kreeg niet genoeg te eten.

Vergeet je opoe niet? schreef haar vader, wij redden ons wel.

Nu was Hanneke degene die opoe zo vaak ze kon opzocht en al had het oude mensje er niet veel weet van, ze vroeg toch naar haar man en dochter en kon dan dreinen als een kind.



Daar is het Weesperplein, met versnelde stap gaat ze richting ziekenhuis maar wat vreemd, ook daar staan legerwagens, dat kan toch niet waar zijn, niet die oude, zieke mensen.

Ze aarzelt, plukt aan haar shawl.

'Ze worden allemaal weggehaald,' zegt een voorbijganger.



Anneke Koehof © fictie

Nawoord

Op 1 maart 1943 werden de patiënten uit de Joodse Invalide op bijzonder wrede wijze weggevoerd;

' Pulsen' Genoemd naar het verhuisbedrijf van Abraham Puls, die de woningen van weggevoerde Joden leeghaalde.



Dit verhaal las ik in het kader van 'Open Joodse Huizen' 4 mei 2014 in de OBA, Amsterdam.

Hollandia Kattenburg : 'DE PROMOTIE VAN MIJN TANTE ROOS'



Mijn tante Roos, 6e van links, met haar collega's in 1938


De promotie van tante Roos

Nadat mijn tante Roos in 1935 haar school had afgemaakt kon ze als 'leermeisje', zo heette dat toen, beginnen op een klein atelier, maar in feite was ze gewoon boodschappenmeisje.

Ze bracht naaiwerk bij thuiswerkers, dikwijls Duits Joodse vluchtelingen, en ze bezorgde kleding bij Maison De Bonneterie, wat ook toen al een deftig modemagazijn was.

Vaak moest ze naar een onverstaanbare oude Pool in de Transvaalbuurt, die knopen kleurde.

Om in zijn werkruimte te komen beklom ze de steile trappen en naarmate ze verder boven kwam stonk het penetranter naar de verfkleurstoffen die in pannetjes stonden te pruttelen. Ze bracht hem lapjes stof, zodat hij de benen knopen bijpassend kon kleuren. Het boodschappenwerk was niet zo leuk, maar het was crisistijd, je pakte alles aan.

Omdat ze zo niets van het naaivak leerde nam ze verschillende andere baantjes aan totdat ze in 1937, ze was toen 17 jaar, solliciteerde bij Hollandia Kattenburg, een textielfabriek waar waterdichte regenjassen werden vervaardigd die toen 'Big Ben' heetten en later bekend stonden onder de naam 'Falcon'.

Ze maakte een goede indruk en werd, weer als leerling, aangenomen op de gummi-afdeling. Daar werd rubber op de naden en tussen de belegsels geplakt door speciale plakkers.

En zo fietste Roosje elke morgen van de Kastanjeweg naar de Valkenwegpont over het IJ. Daar, naast de A.D.M, (De Amsterdamse Droogdok Maatschappij) was het gebouw van de textielfabriek, waar ze de hele dag, het was lopendebandwerk, belegsels aan de jassen moest stikken.

Het beviel haar goed, ze had er leuke collega's en altijd plezier en ze verdiende maar liefst 5 gulden in de week, dat was toen een heel bedrag.

Ze kreeg ook een vriendje, Meier Papegaai. Ze gingen samen uit en bij het afscheid zei mijn tante een keer voor de grap 'Dag schat', en hij antwoordde:

'O Roosje, was het maar echt zo dat ik je schat was'. Hij was stapelverliefd op haar.

Op een middag, toen ze weer eens een afspraakje hadden gemaakt, zei hij:

'Weet je wat ik vanavond aan doe? Ik doe een hoed aan'!

Maar de liefde kreeg geen kans om verder op te bloeien, want al op de eerste dag dat het dragen van een ster verplicht gesteld was, 1 mei 1942, werd hij al opgepakt.



Zijn broer werkte als kelner in de Hollandsche Schouwburg, maar vergat het verplichte witte kelner jasje. Meier holde achter hem aan zonder zijn overjas, waarop de gele ster nog maar net was aangebracht, aan te doen. Hij werd meteen gearresteerd en via de gevangenis in Amstelveen naar Amersfoort vervoerd. De rest laat zich raden...



Hollandia Kattenburg was een joods bedrijf, waar joodse werknemers zich thuis voelden vandaar dat veel joodse werkzoekenden daar graag een betrekking wilden.

In de oorlog speelde nog iets mee: onder dwang van de bezetter werden uniformen gemaakt voor het Duitse leger en daarom waren de joodse werknemers en hun gezinnen voorlopig 'gesperrt' (vrijgesteld van deportatie). Zo voelden zij zich redelijk veilig en hoopten op een snelle afloop van de oorlog.

Maar oorlogsmisdadigers als Himmler, Rauter en Lages wilden aan die regeling een einde maken en uiteindelijk vielen de troepen van de Grüne Polizei, onder leiding van de beruchte nazi-misdadiger Lages, de Hollandia Confectiefabrieken Kattenburg binnen. Alle in- en uitgangen werden hermetisch afgesloten.



Ik vervolg dit verhaal met wat ik heb opgetekend uit de mond van mijn hoogbejaarde tante Roos, zij is een van de twee nog levende personeelsleden die dit persoonlijk hebben meegemaakt.



Op die dag, woensdag 11 november 1942, vielen ze ineens binnen. Ik werkte op de gummi-afdeling, daar kwamen ze het eerst.



De directeur, een vervanger van de eigenlijke directeur, een Verwalter, wilde iets zeggen tegen het personeel, maar hij moest zwijgen.



We werden als schapen en bokken gescheiden, de Joden moesten aan de ene kant gaan staan en wij aan de andere.



Als eerste werd Rebecca Groenteman eruit gehaald, zij was communistisch en dat wisten die Duitsers precies. Ik weet zeker dat dát verraderswerk moet zijn geweest en ik weet ook door wie ze zijn verraden.



Ze hadden lijsten met namen bij zich en de joodse medewerkers werden een voor een afgeroepen. Het was verschrikkelijk.



We hebben uren zo gestaan. Ze kwamen om vier uur in de middag en wij mochten pas om acht uur 's avonds weg.



We zagen onze joodse collega's wegvoeren in vrachtauto's: Marietje Kloot, zij was vaak ziek en ik moest haar dan haar loonzakje brengen. Haar vader was fruithandelaar en ik kreeg de sappigste peer en de meest verse ananas. Saartje Melkman, Arie Swaab, Sjakie Kaas, Lowietje de Groot, hij was chef, Roosje Meents, die elke week bonnetjes verkocht voor de Matzes met Pasen, Jet de Groot, ach zovelen, en we waren nog steeds in de veronderstelling dat ze naar een werkkamp gingen...



En o ja, Janie Beers. Haar zusje Marietje was er niet, ze was pas bevallen. Ik ben nog op kraamvisite geweest en heb er altijd spijt van gehad dat ik de baby toen niet heb meegenomen, maar hoe konden ze weten wat hen boven het hoofd hing, ze waanden zich veilig bij Hollandia Kattenburg.



Toen we eindelijk weg mochten ben ik zo snel ik kon naar de Transvaalbuurt gegaan om gezinnen van personeelsleden te waarschuwen, zoals de vrouw van Sjakie Kaas, ik was daar net binnen toen ze gehaald werden door Nederlandse politiebeambtenaren...

Ik moest mijn papieren laten zien en werd hardhandig weggestuurd, ja zelfs van de trap af gegooid! Volledig overstuur kwam ik die avond op de Kastanjeweg aan.



Het was na die tijd heel moeilijk om weer naar het werk te gaan, maar we moesten door.

Later ben ik cheffin geworden, dat zou nooit gebeurd zijn als de joodse werknemers niet waren opgehaald; het was een promotie met een rouwrand”.



Anneke Koehof ©


Nawoord: Op 11 november 1942 werden 367 joodse medewerkers tezamen met hun familieleden, bij elkaar 826 personen, weggevoerd naar de Duitse concentratiekampen.

Slechts een enkeling kwam terug.

Velen woonden in Amsterdam Oost.



Dit verhaal las ik in het kader van 'Open Joodse Huizen' in de OBA Amsterdam op 4 mei 2014







http://deklassieken.radio4.nl/nieuwsinnoten 

zie mijn keuze van 27 januari 2015



Beste Schrijver/Voorlezer tijdens Open Joodse Huizen/Schrijvers uit Oost,
Vandaag ontvingen we - als organisatoren van de middag op 4 mei in de Javabibliotheek - een persoonlijke brief van Joël Cahen, directeur van het Joods Historisch Museum. De co-organisator van Open Joodse Huizen.
'We kijken terug op een zeer indrukwekkende 3e en 4e mei, met een drukbezochte editie van Open Joodse Huizen. In Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Groningen, Leeuwarden en Tilburg ontvingen wij meer dan 10.500 bezoekers. U zorgde er door uw inspanningen voor dat al deze mensen op een persoonlijke en indringende wijze konden stilstaan bij de 'kleine geschiedenissen'uit de Sjoa in Nederland en wat die - ook vandaag nog - voor ons betekenen. Zelf was ik o.a. aanwezig in de Openbare Bibliotheek Amsterdam op het Javaplein, waar ik diep onder de indruk was van de schrijvers.'

woensdag 16 april 2014

PALMPASEN


Palmpasen 1948
Foto Stadsarchief Amsterdam
 


       Dit verhaal schreef ik op Palmpasen voor
       Het Geheugen van Oost

 













Palmpasen

Als ik vroeger op Palm Zondag  naar mijn oma ging, ze woonde op de Kastanjeweg vlakbij de katholieke  Bonifatiuskerk, kwam ik vaak een optocht tegen van kinderen, allemaal op hun paasbest gekleed en ze droegen een palmpaasstok, in de vorm van een kruis.

De ene stok was nog mooier dan de andere. Ze waren omwonden met crêpepapier in allerlei kleuren.

Ook werd er 'levend' groen gebruikt, er hingen mandarijnen en eieren aan en bovenop elke stok prijkte een broodhaantje.

Omdat ik niet katholiek was opgevoed begreep ik niets van de betekenis van het kruis, het brood, het kraaien van de haan, de palmtakken en de eieren. Wel wist ik dat de stokken na de kerkdienst naar zieken en bejaarden werden gebracht, in dit geval denk ik naar het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis aan het Oosterpark.

O, wat was ik jaloers op die kinderen. Ik wilde ook zo'n mooie stok maken, maar ik zou er niet over prakkiseren om hem weg te geven. Ik wilde maar één ding en dat was mijn tanden zetten in zo'n haantje. Wat zou dat lekker smaken, ik proefde het verse brood al op mijn tong.

Nu weet ik dat Palmzondag het eind van de vastentijd inluidde, nou, dat zou voor mij dan mooi zijn uitgekomen, want ik was een altijd hongerig kind.

Mijn vriendje kreeg er ook een toen hij in het ziekenhuis lag. De stok werd aan het voeteneinde van zijn bed vastgebonden. Omdat zijn amandelen waren verwijderd, kon hij al dat het lekkers niet eten en er alleen maar naar kijken...

Gisteren lagen de haantjes uitgestald bij de bakker; ik kocht er een paar en zette er meteen mijn tanden in.

Dat viel even tegen, ik vond het een droog en smakeloos broodje, weer een illusie minder...



Anneke Koehof ©

13 april 2014



Palmpasen 1955
Foto Stadsarchief Amsterdam



http://www.geheugenvanoost.nl/89393/nl/palmpasen