woensdag 9 april 2014

MEE NAAR DE TUIN


Tuincomplex aan de Ooster Ringdijk
Collectie Stadsarchief Amsterdam
 
Ik schreef deze sfeertekening uit mijn vroegste jeugd voor
Het Geheugen van Oost
 
 
 
 
 
 
 
 
Mee naar de tuin

Mijn pleegouders, waar ik tijdelijk woonde omdat mijn eigen moeder vlak na mijn geboorte was overleden, hadden een tuinhuisje aan de Ooster Ringdijk in Amsterdam.

Het tuinhuisje werd na de oorlog opnieuw opgebouwd, want veel huisjes werden, bij gebrek aan brandstof, in het noodkacheltje opgestookt.

Het huisje van mijn pleegouders heette 'Liberty', de naam zegt genoeg...

Regelmatig toog mijn pleegvader op zijn fiets naar de volkstuin en keerde pas tegen etenstijd terug, met fietstassen vol groenten en fruit en vaak ook een bos bloemen.

Soms, op een warme dinsdagmiddag, als hun melkzaak gesloten was, mocht ik mee naar 'de tuin'. Ik herinner mij die zwoele middagen als een prettig soort verveling.

Als we aankwamen was mijn pleegvader, met wit katoenen pet op, al druk aan het schoffelen in zijn tuin waar hij van alles verbouwde.

Vooral de bonen aan de lange stokken met de daar tegenop groeiende wit/roze lathyrus intrigeerde mij, ik vond de tere bloemen op danseresjes lijken.

Natuurlijk moest ik uitkijken waar ik liep.

'Pas op mijn aardbeienbed,' riep mijn pleegvader terwijl hij met een rode zakdoek het zweet uit zijn ogen veegde. Vreemd, ik zag helemaal geen bed...

Spannend wat er zomaar uit de grond kwam; soms mocht ik een wortel plukken. Ik spoelde de aarde af bij het kraantje verderop, want in het tuinhuisje was geen water, gas of licht. Alles ging met de hand, geen enkel geluid verstoorde de stilte.

Thee werd gezet op het oliestelletje, waarvan de geur het warme huisje vervulde. Je moest wat langer wachten tot het water kookte, maar de thee smaakte daar anders, veel lekkerder.

Voor het huisje stond een withouten bank, daar zat ik dan loom, met een ouderwetse zonneklep op, tussen mijn pleegouders. Vogels zongen, bloemen geurden, mijn pleegvader rookte zijn pijp en ik zat daar gewoon gelukkig te zijn.

In de winter genoten we van de geweckte groenten en fruit uit dit kleine lustoord, ik in het bijzonder van die heerlijke, zoete witte lange peren, waarvan het sap langs je kin droop en het water me nu nog in de mond loopt.



Anneke Koehof (1943)

geschreven op 8 mei 2014 ©







woensdag 2 april 2014

INDISCHE HAPJES


Foto c

Nederlands-Indische kinderen met hun baboe
Collectie Tropenmuseum
    De opdracht was om een regel uit een  boek
    als eerste zin voor dit verhaal te gebruiken.

    Op deze manier ontstonden voor de schrijfgroep
    verschillende verhalen met een zelfde beginregel.

    We konden kiezen uit twee regels,
    de eerste gebruikte ik  als beginzin en de  tweede
    verwerkte ik in het verhaal.
    (Beide regels zijn onderstreept).
    Mijn verhaal speelt in 1980 en is fictief.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Indische hapjes 

In het voorjaar is ze gekomen. De onmacht om mij tegen haar te verzetten maakte dat ik die strijd al bij voorbaat had verloren.

Mijn tante Zus is een opvallende verschijning.

Zomer en winter draagt ze een lange zwarte mantel en een, eveneens zwarte, breedgerande hoed, die haar gezicht half bedekt.

Haar witgrijze haar hangt in heksachtige slierten over haar schouders. Voorbijgangers kijken om, stoten elkaar aan en wijzen.

Toen ze haar komst aankondigde probeerde ik er nog onderuit te komen; zou de treinreis niet te vermoeiend zijn?

'De hemel staat in het teken van de Vissen, dan moet ik reizen ja, en waar kan ik anders naar toe?'

'Nou ehhhh, naar Ymke misschien?' probeerde ik.

'Geen sprake van, zij is Steenbok en het is er zooo koud. Jij bent Boogschutter en bovendien mijn lievelingsnichtje. Ik had gedacht mijn verjaardag bij jou te vieren, je hebt zo'n fijne grote keuken. Ik word vijfenzeventig, dan nodig ik al mijn Indische vriendinnen uit en jij maakt een heerlijke rijsttafel, ja!'

'O nee toch,' protesteren de kinderen als ik het onder het avondeten vertel.

'We gaan niet naast haar lopen hoor!'

'Help me nou maar met de kamers,' zucht ik.

'Wanneer leer je nu eens nee te zeggen,' moppert mijn man 's avonds in het smalle logeerbed. 'Dit gaat weer weken duren en mevrouw eist doodleuk de beste kamer.'

Hij heeft gelijk, maar ik kan nu eenmaal niet tegen haar extreme gedrag op. Commanderen zit haar, als dochter van een rijke planter in het Koloniale Nederlands-Indië, in het bloed en ze behandelt mij als haar vroegere baboe.

De volgende morgen staat de taxichauffeur met armen vol koffers op de stoep. Tante schrijdt naar binnen en laat het aan mij over om hem te betalen.

'Dank je kind, ik zal het goed met je maken,' zegt ze en ontneemt me als altijd ogenblikkelijk de leiding over mijn huishouding.

Ondanks hun tegenzin komen de kinderen direct weer in haar ban. Ze vertelt bloederige 'stille kracht' verhalen waar ze nachtmerries van krijgen en legt de kaart om hen de toekomst te voorspellen.

Op haar verjaardag, twintig maart, de woonkamer heet als een oven, lijkt het wel een kippenhok.

'We zijn met de wagen uit Den Haag gekomen, luitjes...'

'We worden ouder, ja...'

'De jaren vliegen, weet je...'

'Toetie is al weduwe van Faas. Kassian!...'

'Adoe, wat een lekkerrre sàteh...'

'Toch niet die van Kokkie, hooooorrrr...'

'Soeda.'

Verhit presenteer ik mijn Indische hapjes en ga rond met de sherryfles.

De dames nippen, kirren, nippen, snateren, nippen, kwebbelen en giechelen zich terug in hun Indische kindertijd. Mijn eigen kinderen vluchten de tuin in.

Plotseling vliegt hun rode bal door het openstaande bovenraam en stuitert tussen de kakelende dames, die gillend opvliegen.

'Adoe, adoe, de geest van Faas,' roepen ze en voordat ik het weet zijn ze in paniek vertrokken.

Als een beledigde diva stampt tante naar boven en pakt haar koffers.

Opgelucht zie ik haar taxi de straat uit verdwijnen.

Morgen staat de hemel in het teken van de Ram.

Anneke Koehof ©

zaterdag 29 maart 2014

VOORJAARSNACHT (Tanka)


 
Voorjaarsnacht

Ik kon niet slapen

Maar een zingende merel

hield mij gezelschap

En zong voor mij alleen zijn

allermooiste liefdeslied!

 
Anneke Koehof ©  29 maart 2014

woensdag 5 februari 2014

KLEUR


Kleur

Mijn favoriete kleur is rood en heeft op mij dezelfde aantrekkingskracht als een zilveren lepel op de diefachtige ekster.

Wanneer ik op zoek ben naar een boek zal een rode omslag of een rood detail daarin een belangrijke rol spelen bij mijn keuze; gelukkig ben ik zelden teleurgesteld in de inhoud.

Ook in de inrichting van mijn huis is veel rood te vinden en in een tekst wordt het woord 'rood' er als het ware uitgelicht.


Ik vond eens een Rode Lijst- stempel en de verleiding was groot om er een vuurrood inktkussen bij te kopen en deze dan onder mijn correspondentie te gebruiken, maar om nu iedereen als 'bedreigde diersoort' te bestempelen...                                      

Zou het een fascinatie zijn of een afwijking?

De film 'Don't Look Now', naar de novelle van Daphne du Maurier, waarin de kleur rood een prominente rol speelt, staat in mijn geheugen gegrift. Wie herinnert zich niet de geheimzinnige dwergachtige verschijning in het rood, waarin de hoofdpersonen hun verdronken dochtertje menen te herkennen?
En 'Het Masker van de Rode Dood', een vertelling van Edgar Allan Poe,
vind ik alleen al door het noemen van die kleur intrigerend.
Om een besmettelijke epidemie, 'De Rode Dood', te ontlopen, besluit Prins
Prospero zich met duizend uitverkorenen terug te trekken in een geheel vande buitenwereld afgesloten abdij.
Hij voelt zich onaantastbaar en geeft een gemaskerd bal, dat zich afspeelt in
zeven vertrekken, elk met hun eigen inrichting en kleur. Een van de zalen is
zwart en wordt verlicht in dieprood scharlaken. Tegen de wand staat een
grote houten klok, die elk uur luid en doordringend de tijd aangeeft, waarbij
de gasten verstarren en het orkest zwijgt. Om middernacht verschijnt een ongenode, geheel in het rood geklede gast, met een angstaanjagend masker. De ontknoping laat zich raden, het is De Rode Dood waaraan alle aanwezigen ten prooi vallen.

Ook als meisje was ik al dol op die kleur. Bij ons in de buurt was een soort Winkel van Sinkel, waar ik een rood schemerlampje in de etalage ontdekte.
Dat wilde ik kopen voor de verjaardag van mijn moeder, maar eerst moest ik het geld ervoor nog bij elkaar sparen. Bang dat het verkocht zou worden vroeg ik de eigenaar het voor mij te bewaren.









Als ik er een boodschap moest halen knipoogde hij en wees naar het hoekje waar hij het lampje voor me had weggezet; op het prijskaartje stond met grote letters 'verkocht'.
Eindelijk was mijn moeder jarig en had ik genoeg gespaard. De vriendelijke verkoper pakte het lampje voor me in zijn mooiste geschenkpapier.
Trots gaf ik het cadeau aan mijn moeder, ze pakte het uit en slaakte een kreet van afschuw.

'Je denkt toch niet dat ik dit ga neerzetten? We wonen hier niet op de wallen!'

Ik was diep teleurgesteld en begreep er niets van, hoe kon ze zo iets moois versmaden?
De volgende dag bracht ze het lampje terug naar de winkel en ruilde het voor een snijbonenmolen, een groene...



Anneke Koehof ©

januari 2014


'Kleur' was een opdracht van mijn schrijfgroep.






zaterdag 1 februari 2014

DE TOCHT DER TOCHTEN IN AMSTERDAM OOST


Kastanjeweg/hoek Vrolikstraat

Ik plaatste dit verhaal al eerder op
'Het Geheugen van Oost'.

 
 
 
 
 
 
 


DE TOCHT DER TOCHTEN IN AMSTERDAM OOST

Het is bijna niet voor te stellen dat het alweer meer dan 50 jaar geleden is, die vreselijke koude winter van 1962/1963.

We worden nu op de televisie doodgegooid met : 'Komt ie wel of komt ie niet', en dan bedoel ik natuurlijk de Elfstedentocht ofwel de Tocht der Tochten met een hoofdletter T!

Alle Elfstedentochten, zowel voor als na die van 1963, zijn niets vergeleken met die van toen, want wat was het erbarmelijk koud!

Ik woonde op de hoek Vrolikstraat/Kastanjeweg, drie hoog,  in het huis waar mijn oma Koehof zoveel jaren had gewoond.

Het lukte mij niet om de haard brandend te houden, de melk stond 's morgens bevroren in het pannetje, de keuken was een vrieskast geworden.

Kolen waren er bijna niet meer te krijgen, de handelaren leverden alleen nog aan 'vaste' klanten.

Ik werkte op de reclameafdeling van VRG Papier op de Hoogte Kadijk en kreeg er op zeker moment de lucht van dat je zakjes kolen kon kopen bij de SHM (Steenkolen Handels Maatschappij), die ook op de Hoogte Kadijk zat. Uren hebben wij daar in de rij gestaan en gelukkig met succes, de kachel kon weer een poosje branden.

Sommige mensen zagen er potsierlijk uit, allerlei kleding werd over elkaar aangetrokken en je zag mannen met over hun pet een dames hoofddoek.

In de krant stonden gruwelijke verhalen. Zo werden vastgevroren watervogels 'gered' door ze met grof geweld uit het ijs te trekken, dat lukte dan alleen met het bovendeel...

Die dag, de 18e januari, vroor het overdag een graad of zes, maar door de harde Oostenwind was de gevoelstemperatuur (kenden we dat woord toen al?) vele malen lager. Ik had het daar op de Kastanjeweg zo verschrikkelijk koud gekregen dat ik besloot de warmte op te zoeken in het huis van mijn toekomstige schoonouders.

Dat was op de fiets niet eens zo ver, maar ik had de Oostenwind pal tegen, mijn vingers waren totaal gevoelloos en mijn tenen lagen los in mijn schoenen. Ik zat te huilen van de kou en kwam totaal onderkoeld in de Soembawastraat aan, waar ze mij met warme melk en niet al te dicht bij de altijd snorrende kolenhaard 'ontdooiden'.

's Avonds zagen we de Elfstedentocht op de tv. Door de toenmalige zwart-wit beelden leek het nog erger dan het toch al was, maar voor mij was mijn fietstocht van de Oosterparkbuurt naar de Indische buurt op 18 januari 1963 mijn persoonlijke tocht der tochten!



                                    Soembawastraat, foto is uit 1969

Anneke Koehof ©

Met dank aan Jo Haen en Ron de Wit voor de mooie foto's!
 

donderdag 16 januari 2014

JAPANSE DICHTVORMEN


Haiku

 
 
 
 
 
 

 
 
 
Winkelstraat in Oost
Tegen de muur verdwaalde                                                    
Gele paardenbloem
 

Haiku  zon                               


Wulpse knoppen staan
in afwachting van de zon
bijna op barsten

 
Senryu
Ik kookte voor jou
een vreselijke maaltijd
toch at je het op



 
 
 
 
Tanka
De zon streelt mijn lijf
het ultieme genieten
Maar de pret is uit
als ik over verbrande
tieten water moet gieten
 
 
 
 

 
 
 
 
 
Haiku  3 regels 5-7-5 lettergrepen

 
Voor de mieren is
de tuin de hele wereld
sprak mijn wijze kind



Senryu  3 regels  5-7-5  lettergrepen

Woerden in de sloot
worden uit pure wellust
ware moordenaars


De merel in het
gras, laat zich verschalken door
de gulzige kat

De staartloze hond
kwispelt met zijn achterlijf
en is net zo blij
 
 
Tanka   5 regels  5-7-5-7-7 lettergrepen

De vlinderstruik zweeft
langs velden en dreven om
kleuren te vinden
die door de lange winter
verborgen zijn gebleven

De ekster bouwt zijn
nest met lepel en met vork
en glanst zijn vleugels
met mijn net klaargelegde
zachte wollen zilverdoek

Op mijn loggia
koeren verliefde duiven.
Elk jaar weer opnieuw
kondigen zij het voorjaar
aan, alsof niets verandert

 
bloeit in februari
 De vroegeling was 
 laat dit jaar, ze was niet klaar
 door barre koude                  
 maar na wat zon en regen
 kwam ik haar toch weer tegen             
                                                            
                                                             


 
Tanka 5 regels 5-7-5-7-7 (Nazomer)

De zomer duurde
langer dan ik had verwacht
Toen het gele blad
voor mijn voeten viel, liet ik
het liggen en keek niet om
Anneke Koehof ©


Workshop gedichten schrijven op 31 januari 2015
We leerden o.a. van zelfstandig naamwoorden bijvoeglijke naamwoorden te maken.
Vandaar de wat bijzondere uitdrukkingen in deze herfst-tanka's.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Novemberige gedachten

Zompige aarde
Waarop de druipende boom
Regenstriemerig
Zijn rottend gebladerte
Ter hergebruik laat vallen

De eerste stamppot
Terwijl een tak tegen het
Keukenvenster tikt
En de slikkige merel
Onder de  conifeer schuilt

Anneke Koehof © 3 februari 2015