woensdag 15 januari 2014

RAAMVERTELLING




Dit is weer eens een 'woordprik' verhaal om de vaardigheden op peil te houden.

Prik een woord uit de krant of uit een tijdschrift, het geprikte woord wordt het onderwerp en schrijf daar zo snel mogelijk een verhaal over binnen een afgesproken  aantal woorden.

Wanneer je dat met meerderen doet,  ontstaan er diverse verhalen met hetzelfde onderwerp.

fictie



Raamvertelling

Ik moest die dag voor een boodschap in de warme buurt zijn. Voor de Oude Kerk heb ik meer dan normale belangstelling, omdat een oudoom van mij daar vroeger de gebrandschilderde kerkramen restaureerde. In de kerk was zelfs een smal deurtje, waardoor je rechtstreeks toegang had tot zijn woning. Oom en tante zijn allang dood, maar het deurtje is er nog steeds en intrigeert mij in hoge mate.

Normaal vermijd ik oogcontact met de hoertjes maar nu voelde ik sterk dat er naar mij werd gekeken.

Een jong meisje, in mijn ogen nauwelijks zestien, maakte een gebaar waardoor ik aarzelend bleef staan. Ze opende de deur, keek schichtig om zich heen en trok me naar binnen. Bijna tegelijkertijd sloot ze de gordijnen.

'Wat heeft dit te betekenen?', vroeg ik om me heen kijkend, ik had nog nooit een peeskamertje van binnen gezien.

'Ik wil hieruit, maar ze houden me dag en nacht in de gaten, als ze erachter komen slaan ze me in elkaar,' zei ze in gebroken Engels met een zwaar Oost Europees accent. Ze was broodmager en had wallen onder haar zwart opgemaakte ogen.

Ze vertelde dat ze naar Nederland was gelokt onder de belofte van een baan in de horeca en dat ze nu gedwongen werd zich te prostitueren.

'Alstublieft mevrouw, u lijkt op mijn moeder, u moet mij helpen'.

Ik voelde medelijden en zonder me te bedenken trok ik onder haar verbaasde blik mijn jas en bovenkleding uit.

'Hier, trek aan, zet die capuchon op, loop naar de kerk en verstop je daar'.

Terwijl ze zich verkleedde legde ik haar uit waar ze het smalle deurtje kon vinden, ze leek het te begrijpen. Mijn kleding hing als een zak om haar magere lijfje.

Ze verliet het kamertje en holde in de richting van de kerk, ik kon nog net de politie bellen en de situatie uitleggen, toen twee kerels binnenstormden en een bejaarde vrouw in haar onderbroek op het bed aantroffen. De grootste greep mij dreigend bij de keel. 'Waar is die hoer?' Ik haalde mijn schouders op. Bij het horen van de sirenes vluchtten ze, ik sloeg een sprei om en opende de gordijnen...



Anneke Koehof ©

donderdag 9 januari 2014

DE HEMA POP









Elke woensdagmiddag kwam tante Dir hem ophalen, dat was zo afgesproken.
Robbies moeder was overleden toen hij nauwelijks twee jaar was, hij had geen herinneringen aan haar, wel, heel vaag, aan lief en warm.

Met zijn bruine ogen en donkere krullenbol leek hij aandoenlijk, maar in de omgang bleek hij nogal gesloten en hij had een uitgesproken hekel aan de medelijdend door zijn krullen strijkende buurvrouwen.


Lange tijd was hij alleen met zijn vader, tot hun keuze viel op het vrolijke meisje. Ze was dol op Robbie, lief en geduldig, al had hij ook al kennis gemaakt met haar plotseling opkomende driftbuien die hij, loyaal aan haar, voor zijn vader verzweeg.


Vanuit zijn geliefde plekje onder de tafel sloeg hij de pasgehuwden gade, tevreden als er harmonie was en angstig als het er heftig aan toe ging. Op het dressoir stond de trouwfoto, hij aan zijn vaders hand, het nieuwe petje eigenwijs op zijn krullenkop. Wat was ze mooi die dag, zijn nieuwe mama. Ze droeg een zilvergrijze jurk en een grote hoed en lachend had ze geroepen dat ze met twee mannen trouwde.


'Kom toch eens onder die tafel vandaan,' zei ze vaak, 'waarom zit je daar toch steeds te koekeloeren?'


'Omdat hij met de helm geboren is,' legde tante Dir uit. 'Hij heeft het tweede gezicht en daar voelt hij zich veilig'. Zijn moeder haalde haar schouders op, wat een onzin, hoewel, hij kon haar soms zo strak aankijken, dat maakte haar ongemakkelijk.

Ze voelde zich op de vingers gekeken door de tante van Robbies echte moeder. Ze verwende hem gruwelijk, hij hoefde maar te kikken.

Met tegenzin had zijn moeder toegestemd in de woensdagmiddagregeling.



Met zijn kleine jongenshand in die van zijn tante liepen ze de Baweanstraat uit. Hij keek nog even om en zwaaide, maar niet te lang, dat was kinderachtig
Op de hoek voor de melkwinkel stond een wandelwagen met een blond meisje erin.  Hij kende haar wel, als hij daar een boodschap moest doen zat ze vaak achter de toonbank. Boem, boem, boem, roffelden haar beentjes dan tegen de met ijzer beslagen theekist. Als hij op zijn tenen ging staan kon hij haar net zien. Ze zag er lief uit, met een rode strik in haar blonde haar. Ze lachte naar hem en wilde zwaaien, maar ze moest zich snel weer vastgrijpen om niet te vallen. Hij werd er helemaal warm van. Hij had horen zeggen dat haar moeder dood was en dat ze daarom bij de melkboer woonde.
Had hij maar een zusje zoals zij, hij zou haar dan beschermen tegen de engerds die 's avonds op de muur van zijn slaapkamer dansten.    'Wat een schatje,'zei tante Dir vertederd. 
    'Ze heet Anneke,' antwoordde hij en tante Dir kietelde haar onder haar kinnetje. 
Het was een warme middag. Als ze nu maar langs Jamin kwamen. Gelukkig, ze gingen door de Javastraat. Vanuit een zijraam, een soort loket, waaruit een vrouw met lubberende blote armen half naar buiten leunde, werd ijs verkocht.
    'En?' vroeg ze.
    'Een dubbeldikke met chocola,' 
De verkoopster gooide het pakje voor hem neer.
    'Dat is dan een dubbeltje.' 
Verzaligd likte hij aan zijn ijsje.
    'Lekker?' vroeg tante Dir.
Ja, knikte hij.
    'Niet knoeien, hoor! Kom, we moeten nog naar de Hema'.
    'Gaan we dan eerst bij de hondjes kijken?' 
Ze liepen langs de banketbakkerswinkel waar een als bakkertje verklede pop houterig heen en weer bewoog en dan, onverwacht, tegen het venster tikte. Het vingertje was door jarenlang getik kapot gegaan en werd beschermd door een goor geworden pleister. In december veranderde het bakkertje in een Sinterklaaspop, maar hij herkende hem aan de pleister.

Onder de spoortunnel wachtten ze totdat er een trein overheen reed, hij hield zijn handen tegen zijn oren voor het donderend geweld.

Aan de schaduwkant van de spoordijk was de dierenwinkel. Met zijn neus tegen het winkelraam keek hij naar de puppy's die trillerig tegen elkaar aan lagen. Plotseling werd een luikje opengerukt en een grote hand trok een van de hondjes ruw naar binnen, hij hoorde het gillend piepen.

'Doorlopen nou,' drong tante Dir aan. Maar eerst moest hij nog even stilstaan bij de etalage van de feestwinkel in de Van Swindenstraat, daar was zoveel te zien. Slingers en vlaggen, ballonnen, enge mombakkesen van heksen en boeven, varkenssnuiten, pruiken, boerenkielen en een gekleurd kartonnen bord met een gouden kroon.

HULDE AAN HET BRUIDSPAAR’

las hij hardop. Tante Dir keek trots om zich heen, had iemand opgemerkt dat dit jongetje al kon lezen?

Nu begon hij toch moe te worden, gelukkig zag hij in de verte het Oosterpark al. Nu nog langs het ziekenhuis met de vaal gestreepte markiezen. Zieken houden zeker niet van zon, dacht hij.

Onder de winkelgalerij stond een violist te krassen en eindelijk waren ze bij de HEMA. Het rook er naar warme worst. Tante Dir deed haar boodschappen en al noemde men het een armeluiswinkel, zij was dik tevreden, goed en goedkoop.

Nu was het zijn beurt, hij liep rechtstreeks naar de kleine speelgoedhoek. Opgewonden bekeek hij de uitstalling. Dat rode karretje leek hem wel wat of dat houten paardje, het gespikkelde speelgoedhondje was ook leuk of toch die kleurpotloden...

Weifelend keek hij om zich heen en ineens zag hij de pop. Zijn hart ging sneller kloppen, het was een pop met blonde haren, blauwe ogen en lange wimpers. Ze droeg een wit dansjurkje met bijpassende schoentjes en stond rechtop in een doos.

'Die wil ik,' wees hij.

'Maar jongen, dat is toch niets voor jou? Een pop is voor meisjes. Maar hij wilde de pop en niets anders.

Een moeder met haar dochtertje volgden de discussie. Het meisje keek hem laatdunkend aan.

'Wie wil er nou zo’n stomme pop, je bent toch zeker geen meid!'

Ze had, net als haar moeder, bruin haar, bolle ogen en dikke armen en benen, 'tapse eindjes' noemde zijn vader dat. Hij had allang door dat ze de pop zelf wilde.

Smekend schudde hij tante Dir aan haar mouw.

“Nou vooruit, je bent ook niet iedereen”.

De verkoopster deed een deksel over de doos.

'Het is een praatpop, de laatste,' zei ze.



Toen hij die avond werd thuisgebracht droeg hij de doos een beetje besmuikt naar zijn slaapkamer. Hij haalde de pop voorzichtig tevoorschijn. Wat was ze mooi. Zacht streek hij door de lange blonde haren. Ze kon haar ogen open en dicht doen.

'Je mag elke avond bij me slapen en ik noem je...ehh...Annekje,' fluisterde hij.

Hij legde haar onder de dekens en heel zacht hoorde hij: ‘Rob-bie’.





Anneke Koehof ©
fictie







woensdag 18 december 2013

KERSTMIS





De brandweerkazerne in de Domselaarstraat, Amsterdam Oost
Dit verhaal plaatste ik een aantal jaren geleden op Het Geheugen van Oost.















Wat een verschil, de huidige Kerstviering met die van vroeger.
Tegenwoordig worden de winkels leeggekocht, het een nog duurder dan het ander.
Wij waren al zielsgelukkig met een kerstboom en daar lagen heus geen cadeautjes onder. Als er weinig geld was werden er wat takken achter de schilderijen gestoken, nog maanden later vonden we de dennennaalden...

Wat vond ik de kerstballen mooi, ik spiegelde me er in en kreeg een heel raar gezicht. De dingen in de kamer vervormden, je waande je in een sprookjeswereld. In de loop der tijden werden de ballen doffer en schilferde het bovenlaagje er af. Als er een bal brak was het huis te klein.
Er brandden echte kaarsjes in de kerstboom, spannend maar gevaarlijk. Bij ons om de hoek, in de Karimatastraat, was eens een hevige brand, doordat de kinderen met kaarsjes hadden gespeeld.
Dat maakte op mij grote indruk en ik ben altijd bang gebleven voor uitrukkende brandweerauto's. Zo bang zelfs, dat ik als kind niet langs de brandweerkazerne in de Domselaarstraat durfde, alhoewel dat de kortste weg was naar Oma op de Kastanjeweg.
Mijn vader was elektricien en daardoor waren wij in de straat de eersten met elektrische kerstverlichting, door mijn vader gemaakt van witte elektrapijp met fietslampjes. Wij vonden het prachtig en we hebben ze nog jaren gebruikt, hoewel ze op den duur helemaal vergeelden en lang niet zo mooi waren als die van Philips.
Meestal aten we kip of rollade, toen nog een luxe.
Toch waren er wel mensen die wild aten, want 's avonds na het eten klonk het door de donkere, stille straten: “Hazen en konijnenvellen, hazen en konijnenvellen.”


Anneke Koehof

foto Marga Vosveld
 
 
 
 
Voor iedereen goede feestdagen en een voorspoedig 2014
 
 
 


zaterdag 30 november 2013

TERUG NAAR OOST



Intocht 1953, foto Stadsarchief Amsterdam
Deze herinnering  publiceerde ik in 2009
op Het Geheugen van Oost

Terug naar Oost.

Natuurlijk kwam Sinterklaas in Amsterdam Oost, maar voor de 'enige echte' moest je naar het Centrum.

Ik was een jaar of achttien, toen ik met mijn schoonzusje, een 'nakomertje', naar de Sinterklaasintocht ging. Het was begin jaren zestig en bitterkoud.

Op het Javaplein stapten we in de overvolle tram; opeengepakt stonden we tussen de stank van natte jassen. De route werd omgeleid, dus we moesten uitstappen en verder lopen.

De gure wind blies dwars door onze kleding en we werden drijfnat door een ijskoude regen.

Uren stonden we, tevergeefs stampvoetend om onze voeten warm te houden,  te wachten op het Frederiksplein. Af en toe reed de politie op motoren met zijspan voorbij, gevolgd door enkele Pieten op scooters. Een golf van verwachting ging dan door de wachtende rijen, maar het duurde en het duurde...

We waren inmiddels door en door versteend, iedereen stond te trappelen van ongeduld en de kleintjes huilden van ellende op de schouders van hun vaders, maar die bleven staan, want weggegaan, plaatsje vergaan.

Plotseling ging de regen over in tikkelende ijzel. De Stadsreiniging strooide zand zodat de schimmel van de Goedheiligman niet zou uitglijden.

Eindelijk was hij er dan, voorzichtig rijdend, omringd door Zwarte Pieten en gevolgd door Spaanse Edelen (wij noemden hen 'Witte Pieten'). Luid zingend en springend werd hij toegezwaaid door de honderden kinderen, even was de kou vergeten en genoten we van de volgkaravaan. Enkele gelukkigen kregen een handvol pepernoten.

We moesten terug naar Oost, maar hoe we er zijn gekomen is bijna niet te beschrijven. Het was inmiddels zo glad geworden dat we niet tegen de bruggen op konden. Zowel het wegdek, als de brugleuningen waren bedekt door een dikke laag ijzel. Iedere keer als we bijna boven waren gleden we weer net zo hard terug. Ik weet niet meer of we lachten of huilden...



Anneke Koehof ©


intocht Frederiksplein, foto Stadsarchief Amsterdam








 

woensdag 27 november 2013

DECEMBERBLUES


 
Opdracht:  schrijf een column 













Decemberblues


Voor mij begint december al rond half november.

Ja ik weet het, het is een ziekte, die bij mij zijn oorsprong vond in mijn jeugd.

De spanning van 'gelijk met Sinterklaas jarig' en het feest zelf, kon ik als kind al niet aan.

Als dan een aantal verjaardagen in je latere gezin en familie ook nog eens in die feestmaand vallen, ligt daar de ideale bedding voor een december-depressie.

Feestelijkheden en feestdagen buitelen over elkaar heen.

Familieleden, die elkaar het hele jaar nauwelijks zien, klampen zich vast aan oude tradities en worden, in het kader van de 'oude gezinsillusie', bij elkaar aan tafel genood, of, als je buiten de boot valt, juist niet. Pijnlijkheden worden met de mantel der liefde bedekt en tegen de tijd dat de rijkelijk geschonken wijn de waarheid achterhaalt is de avond gelukkig voorbij.

Etalages met feestkleding en blingbling lokken, want je moet vooral kopen, kopen.

Als schimmen snellen mensen met volle tassen door de natgeregende winkelstraten en eigenlijk zou je willen meedoen.

Voor ƩƩn keer je hullen in al die luxe, in de illusie dat daarmee warmte is te halen.

De glossies staan vol foto's van families die modieus gekleed, aan rijk gedekte tafels, de schijn ophouden dat veel en duur 'geluk' betekent.

De dagen worden korter, de straten worden versierd met duizenden lichtjes.

Grachtenpanden wiegelen met verlichte vensters in het donkere water

Binnen branden de kaarsjes en in de oven staat een stamppot te geuren.

Irritaties worden vergeten, de wereld staat even stil

Binnenkort is het Kerstmis en we zoeken geborgenheid bij elkaar.

Kon ik er maar van genieten, alle pijnlijkheden loslaten, maar het lukt me niet.

Was het maar weer 1 januari, want dan is het over!



Anneke Koehof ©


maandag 11 november 2013

ODE AAN LEMMER



Ik draag mijn gedicht op aan Philo Gort
Wij hadden synchrone vakantieherinneringen aan Lemmer.

 





...zag ik de Le 64 statig binnenkomen




ODE AAN LEMMER


Lemmer, mooi vissersplaatsje aan de oude Zuiderzee, wat had ik je als kind al lief.

Als ik na eindeloze uren water, met dichtgesnoerde keel, het silhouet zag

van de kerk en later, bij het passeren van het Eindje van de Dam, met uitzicht

op door golven gepolijste keien, de vuurtoren aan het zilvergrijze strand,

voelde ik me gelukkiger en vrijer, dan waar ter wereld ik ook kwam.



Lemmer, mooi vissersplaatsje aan de oude Zuiderzee, ik ruik nog steeds je geuren, van

getaande netten aan de reling, de haven met haar zilte geur van vis en dan

de rokerij met paling aan de speten, de houtmolen aan de Zeedijk, en verderop de werf

met pas geteerde vissersschepen, het waswater op maandag in de steeg, de

geur van schone lakens op de bleek, maar ook die van het hƻske en de tonneman.



Lemmer, mooi vissersplaatsje aan de oude Zuiderzee, nog hoor ik je geluiden, van

houten klompen op de brug, het water klotsend aan de schoeiing, de misthoorn

eenzaam in de nacht, een schip dat kreunt tegen de boeiing, een dronken vent die lallend

lacht, uit een cafƩ een flard muziek, het zagen van de mastenmaker, de stoomfluit van de
 
houtfabriek, de Nachtboot die vertrekken moet, het 'Goeie' als een Friese groet.



Lemmer, mooi vissersplaatsje aan de oude Zuiderzee, nog proef ik je gerechten, in

het huis aan de Zeedijk, waar ik zo vaak logeerde, en tante mij trakteerde op

trommelkoek met stroop, op aal met botersaus en palingen zo vet, dat het je kin langs droop.

Op suikerbrood, 'pareltjebrei ', en van die lange Friese Repen, een echte lekkernij,

gebakken vis met witte rijst en bruine suiker en 'sipelpomp' en dĆ»mkes horen er ook nog bij.



Lemmer, mooi vissersplaatsje aan de Zuiderzee, nog zie ik in gedachten, in de

sluis de Jan Nieveen liggen wachten, ik zie de oude haven, waar mijn moeder werd geboren,

ik zie vanuit mijn kamertje de polder, wuivend koren, ik zie de Langestreek, de Schans

en aan de waterkant, waar ik als meisje zat te dromen, zie ik de Lemmer 64 statig binnenkomen.

Maar wat ik het allerliefste nooit had willen zien, was aan de Vissersburen het dempen van de Rien.




 



Vissersburen
 
 
Anneke Koehof ©

8 november 2013










   

                                                                                                             

woensdag 6 november 2013

DIALOGUE WITH AN ENGLISH BORDER COLLIE


Opdracht: een dialoog tussen twee van te voren in een blad uitgezochte 'personen'.
Ik heb het mezelf wel moeilijk gemaakt door een hond te kiezen...
Gelukkig heb ik een ruime ervaring met honden Ć©n inspiratie door een dergelijk avontuur van de vroegere hond Asta van Marleen.
 
 
 Dialogue with an English Border Collie, named after Montgomery.






'Monty, Monty, hier!'

Ik doe net alsof ik niets hoor, er is nog zoveel te snuffelen, ik wil nog niet naar huis.

'Kom je nou hier of niet?'

Gelukkig, ik heb de keuze: dus niet.

'Potverdikkeme, kom nou hond, ik heb nog zoveel te doen

Anders ik wel, er ligt hier nog een hele berg blad, daar ga ik eens even doorheen roetsjen.

Haaaaaaaa, lekker zeg, knisper, kraak, knisper; ik zit er nu helemaal onder, pak me dan, als je kan!

'Nu heb ik er genoeg van, je zoekt het maar lekker uit, dag Monty. Ik ga naar huis'.

Dat doe je toch niet, ik kan nog best even een sprintje trekken. HĆ©, wat zie ik daar voor een leuk teefje, hallo schat, voel je iets voor een vrijpartijtje in het kreupelhout? O, nou zeg, dan niet, wat een kapsones met je stomme roze strikje, je bent zeker bang om vuil te worden...

'Monty!!”

Ja, ja, ik kom al. Met wie sta je nu te praten?

'Monty, snel!'

Dat klinkt niet pluis. Waarom houdt die man zijn regenjas open en wat moet ie met dat potlood?
Er op af, grrrrrrrr, weg jij want ik grijp je. Jaaaah, nu gauw over het hek heen, hĆØ, maar ik heb je, ik heb je, kgggggg!

'O Monty, wat ben jij een zoete hond en wat heb je daar? Geef maar hier, braaaaaf! Een stuk regenjas, haha, dat moet ie thuis uitleggen, net goed, ga je mee?'

Zo, voorlopig kan ik geen kwaad meer doen en nu op naar de beloning!

 
Anneke Koehof ©

6 november 2013
fictie