woensdag 13 maart 2013

MIJN ONTMOETING MET SNEEUWWITJE


eigen foto

Opdracht: Beschrijf een hedendaagse ontmoeting met een van je favoriete hoofdpersonen uit een boek of verhaal van vroeger
'Nee dank je, voor mij niets met appel...'

MIJN ONTMOETING MET SNEEUWWITJE 

We spraken af op een terras in de buurt van De Efteling. Ik herkende haar onmiddellijk, ze droeg een zwierige gele rok met een blauw bovenstukje en danste meer dan ze liep. Opvallend genoeg droeg ze rode schoentjes. Ze plofte op een stoel neer, trok haar rok wat op en stak een voet naar voren. 'Hoe vind je ze, mooi wel hè? Ik heb ze stiekem geleend, dus ik kan niet te lang wegblijven. 'Wil je misschien een kopje koffie?', vroeg ik. 'Ze hebben hier heerlijke appeltaart' 'Nee, dank je, voor mij niets met appel'. 'Je bent nog geen steek veranderd' zei ik bewonderend, waarop ze in een verguld spiegeltje keek om haar lippen bij te stiften. Ze schuifelde onrustig met haar voeten, natuurlijk, de rode schoentjes, die wilden verder! Ze was niet erg spraakzaam en keek telkens zoekend om zich heen. 'Hoe is het met de Prins?' probeerde ik het gesprek op gang te brengen. 'Die? Oh, dat is maar van korte duur geweest, op een dag is hij op zijn paard vertrokken en niet meer teruggekeerd.' Ik keek haar niet begrijpend aan. 'Ja, hij was zo vreselijk jaloers, hij kon maar niet verkroppen dat ik had samengewoond met zeven mannetjes, dus ben ik weer op zoek' Plotseling kwam een bloedmooie jongen op een witte scooter de hoek om scheuren. Hij stopte voor het terras. Ze kuste me vluchtig op beide wangen, sprong achterop en ze stoven weg. 'Je moet wel met je tijd meegaan!' riep ze nog...
Anneke Koehof ©

fictie

zondag 10 februari 2013

NIEUWE SCHOENEN

Voor jou Rens, voor je verjaardag enne... vanavond eten we boerenkool, hoor! 10 februari 2013
Nieuwe Schoenen
“Vooruit jongens, opschieten”.
Rillerig stonden we in de tochtige gang. Mijn jongste broer Wiebe met een bruine papieren zak, hij was die dag zeven jaar geworden en mocht trakteren. Voor mij kon er geen snoepje af, hij was onverbiddelijk, stel je voor dat hij tekort zou komen. Buiten joelden de kinderen, er lag sneeuw. Ik aarzelde, als de jongens mij maar niet zouden inpeperen. “Bange griet, je durreft niet”, plaagde Wiebe. Hij was nergens bang voor. Ha, laat ze maar komen, hij zou ze wel eens even mores leren, maar zij, een bangeschijter, dat was ze, en ze was nog wel vier jaar ouder dan hij!
“Ga nou maar”.
Mijn moeder duwde me naar buiten. Mijn voeten waren nu al ijsklompen in de te krappe rubberlaarzen. Wiebe holde weg op zijn nieuwe schoenen, Robinsons. Hij had nog tegengesputterd, vond het stomme, lompe schoenen, maar er was geen ontkomen aan.
“En denk erom dat je ze netjes houdt!”
“Vanavond lekker boerenkool met worst,” glunderde hij, want wie jarig was mocht kiezen. Voorzichtig, om niet op te vallen, schuifelde ik langs de gevels van de huizen. Gelukkig, die enge hond lag niet buiten, zeker te koud. Bij het Javaplein is het opletten geblazen, daar rijden twee trams en vooral lijn 10 scheurt als een gek door de bocht. Daar had je hem net, de tram was zo vol dat de mensen buiten aan de balkons hingen. De bloemenman was er niet en de visboer sloeg zijn armen kruislings over zijn borst. Hij had een berenmuts op en droeg gekke handschoenen waar zijn vingers uitstaken. Ik keek naar de vissen op de kraam, die lagen er maar stijf bij met hun bolle ogen, alleen de palingen lagen te kronkelen in het zaagsel.
“Kom je een vissie kopen, meid?”
Geschrokken schudde ik van nee en holde half glijdend door. Daar was de school, gelukkig, de grote jongens waren al binnen.
De school ging om vier uur uit.
Nu gauw naar huis, misschien was er visite voor de verjaardag van Wiebe. Zouden oom en tante uit Friesland er zijn? Wiebe is naar zijn oom genoemd en had daardoor een streepje voor. Op het Javaplein was het druk. Mensen stonden in groepjes te praten, de visboer had zijn kraam in de steek gelaten en middenin de bocht stond een auto stil met daarachter een vrachtwagen. De vrachtwagenchauffeur was druk gebarend met een politieagent aan het praten. Ik had een vreemd voorgevoel. "Wat is er gebeurd?” vroeg ik aan een meisje dat ik kende als een van de vele dochters van de slager. Volgens mijn moeder hadden die mensen zoveel kinderen omdat de pastoor ieder jaar langs kwam. “Er hing een jongetje achter die auto,” wees het meisje in de richting van de stilstaande auto, “En nu is hij hartstikke dood”. “Weet je wie het was?” vroeg ik geschrokken. “Nee, want hij is weg, hij is meteen naar de hemel gevlogen,” antwoordde het meisje. “Hoe kan dat nou?” Weifelend keek ik naar boven. “Als je me niet gelooft, geloof je me maar niet, stomme trut,” zei het meisje beledigd. “Wat je zegt ben je zelf!” De politieagent maande tot doorrijden, de visboer slofte hoofdschuddend naar zijn kraam en de menigte verspreidde zich. Ik was er niet gerust op en bleef nog wat rondhangen. Plotseling, tussen de opgehoopte gore sneeuwdrab, zag ik iets liggen vlakbij de plaats waar de auto’s hadden gestaan. Het leek wel een schoen, een bruine. Ik pakte hem op, de neus was totaal versleten, maar nog heel. Snel keek ik in de binnenkant. Om verwisseling na de gymles te voorkomen zette mijn moeder altijd de eerste letter van onze voornamen erin. Ik kreeg over mijn hele lichaam kippenvel, want daar stond de W, de W van Wiebe… O God, zou het dan toch waar zijn, was Wiebe naar de hemel gevlogen en dat nog wel op zijn verjaardag en met maar één schoen aan. Ik rende met de schoen in mijn hand naar huis.
Mijn moeder deed open.
Vreemd, ze huilde niet, maar keek wel kwaad en verbaasd toen ze de schoen zag. Wiebe zat in de keuken glazig naar zijn drijfnatte linkersok te kijken, hij zag spierwit, maar hij leefde!
“Dat is me ook een mooie boel,”
mopperde mijn moeder. “Je mooie nieuwe schoenen… , leg dat maar eens uit vriend”. Hortend en snikkend vertelde Wiebe zijn verhaal. Hij had willen ‘sleetje pikken’ achter de bumper van een auto. Stiekem, gehurkt, bumper vasthouden en daar gaat ie dan en op tijd loslaten. Hij had gezien hoe de grote jongens dat deden en wilde het ook wel eens proberen, maar de auto maakte in korte tijd zoveel snelheid dat hij niet durfde loslaten. Op de rijweg lag minder sneeuw waardoor hij niet meer gehurkt kon blijven zitten maar languit kwam te hangen, zijn schoenen sleepten over de straat. Vrouwen gilden. Tot zijn schrik kwam er een vrachtauto achter hem rijden, tevergeefs toeterend om de aandacht van zijn voorganger te trekken. Dit ritje duurde enkele kilometers tot de auto moest stoppen voor de tram. Wiebe liet zich direct door de toegestroomde nieuwsgierigen opslokken. Hij wist zich zo behendig tussen de mensen door te wurmen dat niemand in de gaten had dat hij het slachtoffer was.
Zijn schoenen waren kaal maar niet geheel weggesleten, die stomme Robinsons hadden hem gered.
Anneke Koehof © Geschreven in 2008

zaterdag 26 januari 2013

SADODINGES

foto: Stadsarchief Amsterdam
Dit verhaal schreef ik voor de 4e editie van Schrijvers uit Oost met als thema Oost bij Nacht
Sadodinges
Omdat er bij mijn hoogbejaarde vader is ingebroken en de deur uit zijn hengsels hangt, blijf ik bij hem overnachten. Nadat ik hem heb ingestopt, een mummelmondje dat net boven het laken uitpiept, zijn tanden dobberend in een glas op de wastafel, besluit ik ook maar te gaan slapen. Het is een vermoeiende en emotionele dag geweest, er wordt tenslotte niet elke dag ingebroken... Toch wel wat onwennig in de woning waarvan ik allang ben vervreemd, de deur naar het trappenhuis half open, kan ik de slaap niet vatten, terwijl mijn vader luid ligt te snurken, die heeft blijkbaar nergens last van. Ik luister naar de nachtgeluiden uit de straat of eigenlijk naar het ontbreken ervan. De bank in de huiskamer ligt niet bepaald comfortabel, mijn oude opklapbed is er allang niet meer, nu ook de kleinkinderen te groot zijn voor logeerpartijen. God ja, dat opklapbed, mijn enige eigen hoekje in een slaapkamer die ik met mijn twee broers deelde, met op mijn stukje muur de afbeeldingen van Galina Ulanova en andere beroemde sterren van het Bolshoi Ballet. Later verhuisde ik met bed en plaatjes naar een zolderkamertje bij de buurvrouw. Ik was daar zo bang dat ik het bed eerst naar beneden klapte en daarna keek of er een enge kerel onder lag... Al jong sliep ik slecht of misschien had ik gewoon weinig slaap nodig, maar het deerde me niet, ik vulde de tijd met lezen bij het licht van een zaklantaarn en ik hoorde de vertrouwde nachtelijke geluiden, die ik me nu als een soort schaapjes tellen tracht te herinneren: De laatste tram, Lijn elf, die zo hard door de bocht gierde dat ik zeker wist dat hij een keer uit de rails zou vliegen; Zomers het kwaken van duizenden kikkers in de sloten aan het eind van onze straat, waar mijn broers bullekoppies vingen, die in een weckfles op het dressoir werden gezet; De hijskranen bij de KNSM, die kreunend en piepend hun lading in of uit de ruimen van de zeeschepen tilden; De sonore klank van de scheepshoorn van aankomende of vertrekkende schepen en niet te vergeten het eenzame en droevige geluid van de misthoorn. Ik dacht dan aan de nachtboot uit Lemmer, via de Oranjesluizen op weg naar de De Ruyterkade; Het knerpen van ijzeren wielen op het rangeerterrein in de Rietlanden en het diep dreunende bonken van de stootblokken; Het muzikale kling- klong, kling-klong van de scheepswerven aan de Overkant van het IJ, dat bij noordenwind als een carillon over onze buurt werd uitgestrooid; Een lallende dronken kerel, vloekend en scheldend omdat hij zijn deur niet kon vinden; Vechtende katten, die krijsend uit elkaar stoven na een plens water, afkomstig van een van de veranda's en daarna het dichtslaan van een deur, glasgerinkel, een vloek, ruit gebroken... Een rammelende zak vol zilver en goud over de schouder van Gerrit de Stotteraar, de beruchte inbreker met zijn geruite pet, de nachtelijke angst van menig kind. Waar nu mensen slapen werd vroeger continu in ploegen gewerkt, dat ging 's nachts gewoon door. Ik vraag me wel eens af of al die slapende mensen weten wat zich hier, aan de randen van Oost, vroeger afspeelde. Zouden de geluiden van toen daar nog hangen en in hun dromen rondzingen? Niets van dat alles hoor ik nog, eigenlijk hoor ik helemaal niets. Hoewel? Wat is dat fel tikkende geluid, alsof de tak van een boom ononderbroken ritmisch tegen een ruit zwiept, terwijl het helemaal niet waait? Nu pas valt het me op dat er ongeveer ieder half uur een auto stopt en weer optrekt. Ik vraag het de volgende ochtend aan mijn vader. 'Oooh', antwoordt hij laconiek, 'dat zijn de buren van hiernaast, die hebben een kamertje waar ze zich 's nachts voor geld met een zweep laten rammen. Hoe heet het ook alweer, sado...ehhh, sadodinges'. Anneke Koehof © Amsterdam, 13januari 2013

zondag 13 januari 2013

SCHAATSEN MET ÉÉN BEEN

foto: Stadsarchief Amsterdam
Schaatsen in het park

 
 
 
 
 
Deze herinnering publiceerde ik in 2009 op Het Geheugen van Oost
 
 
 
 
Schaatsen met één been

Onze eerste schaatspogingen deden wij in het Zuiderzeepark op de vijver voor het Grote Huis;
de kleintjes met stoeltjes om het te leren, de grotere kinderen scharrelden er tussendoor.

Je zou denken dat het een kleurrijk geheel was, maar toen kenden we nog niet de vrolijk gekleurde jacks en sportkleding. Een enkele boffer had een ijstrui, natuurlijk gebreid met wol van Jo de Bie, maar over het algemeen waren we donker gekleed. We hadden houten schaatsen die met linnen banden onder de gewone schoenen of rubber laarzen werden gebonden. Vreselijk wanneer die halfbevroren banden los gingen en opnieuw moesten worden vastgemaakt. Je probeerde dan een volwassene voor dat karwei te strikken omdat je handen verstijfd waren van de kou. Wat was je jaloers op de enkeling met kunstschaatsen!

Soms moest je er halfjankend van de kou mee stoppen. Thuisgekomen gingen je handen en voeten dan ook nog eens verschrikkelijk tintelen en je nam je voor om nooit meer te schaatsen, maar na een uurtje vloog je alweer naar het park, schaatsen is en blijft een verslaving.

Wanneer het Nieuwe Diep dicht lag kregen we ijsvrij. Daar kon je je benen pas uitslaan en wat lag het Vijfcentenbad er dan troosteloos bij.

Op het ijs kwam ik mijn oom tegen, hij had een zadelmakerij aan de Ringdijk en verdiende in de winter een centje bij met het repareren van gebroken leren hielbanden. We schaatsten de hele middag tot het bijna donker was en we hollend naar huis moesten, anders vonden we 'de hond in de pot'.

Op een dag kwam ik met één schaats thuis, waarschijnlijk verloren doordat ik nog nauwelijks gevoel had in mijn handen. Mijn moeder was woedend en hoe ik de volgende dag ook heb gezocht, de schaats was en bleef weg en ligt misschien nog altijd op de bodem van het Nieuwe Diep, tenzij iemand hem toen gevonden heeft, iemand met één been?



15-01-2009  Anneke Koehof©

vrijdag 28 december 2012

NACHTBOOT NAAR LEMMER


  Deze herinnering werd uitgezonden in het KRO programma 'Goudmijn'

Nachtboot naar Lemmer
foto: Stadsarchief Amsterdam

We wisten nooit of we wel of niet zouden gaan. Mijn vader hield ervan om de spanning erin te houden. Mijn moeder boos, de kinderen teleurgesteld, tot mijn vader tegen de avond zei:
“Nou ma, zullen we dan toch maar”? 'Ma' pakte de pan met het net gebraden vlees en de overige bagage en daar gingen we om negen uur ’s avonds met lijn 11 naar het Centraal Station.
We rilden van de slaap en de spanning, maar daar, aan de De Ruyterkade, lag de Jan Nieveen, de nachtboot naar Lemmer! Een neef van mijn moeder was hofmeester en door die familieband waren we verzekerd van een plaatsje beneden in de zg. 'damessalon'. Daar waren zachte banken, bekleed met pluche dat ooit groen was geweest, waar mijn vader steevast een vlo opliep. Erboven was een ruimte waar wij konden liggen en waar je door de patrijspoorten het water kon zien klotsen.
Het was er erg benauwd en éénmaal gooide tante Annie, zo’n type dat graag de leukste thuis was, een patrijspoort open, waardoor een golf water naar binnen sloeg. De hofmeester die alles moest opruimen was toen iets minder joviaal dan gewoonlijk.
In de Oranjesluizen schenen felle lampen en de heen en weer lopende sluismeester leek een geheimzinnige schaduw.
Door het deinen van het schip en de dreunende motoren brachten wij kinderen de reis grotendeels slapend door en we werden wakker gemaakt als de boot ’s morgens rond 5 uur afmeerde in Lemmer.
Een broer van mijn moeder wachtte ons op, zijn klompen en onze voetstappen weerklonken over het water als we over de bruggen het doodstille Lemmer in klosten.
Alles was daar anders dan in Amsterdam: de geur, de geluiden, de kleine huizen, de taal.
Het eten was er heerlijk. Veel vis maar ook de typisch Friese gerechten als pareltjebrij, suikerbrood, trommelkoek met stroop en de lange repen snijkoek.
Slaapdronken liepen we naar de Vissersburen, met zijn huisjes, gescheiden door nauwe stegen, aan een brede vaart, de Rien.
Ik kan me nog de verbijstering herinneren toen we na een nachtelijke boottocht uit Amsterdam ontdekten dat de zo vertrouwde Rienvaart ineens was veranderd in een eindeloze zandvlakte. Ze hadden de vaart gedempt en nog altijd zie ik dat als een verminking van de ooit zo karakteristieke Vissersburen in het mooie Lemmer.

Anneke Koehof ©

zondag 16 december 2012

EEN KERSTVERHAAL VOOR TOM


Dit verhaal schreef ik voor de 12e verjaardag van mijn kleinzoon Tom, die op 25 december 1999 geboren is, een echt kerstkind dus!







Hangplek

Het is Kerstavond. In een portiek staan vier jongens te kleumen in afhangende broeken en slobberjasjes met capuchon.

“Gadverdamme, morgen Kerst,” zegt Rogier.

“Balen,” antwoordt Alex. “De hele dag binnen zitten met het stomme geklets van mijn zuster.”

“Ik vind het anders wel een lekker wijf!” Casper maakt de bijbehorende gebaren.

“Dimmen, hè, je hebt het wel over mijn zuster.”

Er wordt een deur geopend en er verschijnt een man in hemdsmouwen van het type om geen ruzie mee te krijgen.

“Opgesodemieterd jongens, dit is geen hangplek!”

Tegensputterend slenteren ze naar de hoek.

“Hangplek… Het liefst zouden ze ons zien hangen, dan waren ze van ons af,” moppert Jorrik.

“Jij overdrijft weer,” zegt Rogier. “Wie heeft er een idee?”

“Op het terrein bij de oude ijzerfabriek staat een bouwkeet, als we die nou eens kraken, hebben we een vette Kerstavond,” oppert Alex.



Gelukkig geeft het slot van de keet weinig problemen. Na wat gezoek vinden ze een lichtknop, de luiken zijn gesloten, niemand kan ze zien. Er is een oliekachel en er staat warempel ook nog een kunstkerstboompje. In de verte horen ze kerkklokken luiden, het is Kerstnacht.

“Heilige Nacht, kippen geslacht…” zingt Casper vals.

Plotseling horen ze buiten een geluid, zacht en klagelijk, het lijkt op het mekkeren van een lammetje.

“Jezus,” stamelt Alex geschrokken.

“Dat lijkt me stug,” grapt Rogier. “Wie durft er te kijken?”

-----------------------------

Een paar uur later zitten ze op het politiebureau met een kop hete thee bij te komen van de schrik..

“Nou jongens,” zegt de brigadier. “het lijkt wel een kerstverhaal, jullie hebben het leven gered van een pas geboren baby. Het is een jongen en jullie mogen een naam kiezen.

“Ehhhh, we noemen hem Tom,” antwoorden ze.



Vrolijk Kerstfeest



Voor Tom, van Oma

25 december 2011.


Anneke Koehof ©
fictie

KERSTFEEST OP DE KLEUTERSCHOOL

foto: eigen bezit
Het was mooi en plechtig, we voelden ons helemaal niet arm, maar rijk en warm en wisten niet dat dit gevoel 'geluk' heette.








Ik zat vanaf eind 1947 op Montessori kleuterschool 'De Mussen' in de Madurastraat, in de klas van juf Pellekom.

Zo vlak na de oorlog was er nog niet veel te koop, veel was nog 'op de bon' en in de oorlog hadden bijna alle kinderen aan vitaminegebrek geleden.

Op de hoek van de Javastraat en de Boetonstraat was de Insulindeschool met daarin de eetzaal, dat was voor kinderen waarvan de ouders niet genoeg geld hadden om hun kinderen te eten te geven, vaak ook oorlogsweduwen.

Er kwamen daar altijd heerlijke geuren naar buiten, ik wilde ook graag 'op de eetzaal', maar daar kwam niets van in.

Jammer, want ik had altijd honger! Niet omdat ik niet genoeg te eten kreeg, maar omdat ik als baby honger had gehad en mijn lichaam zich had ingesteld op 'eten wat je eten kunt'.

Op school kregen we iedere dag een vitamine C tabletje. We zaten dan keurig met onze armen over elkaar en onze tong uit de mond, zodat de juf het pilletje erin kon stoppen. Het smaakte een beetje zurig.

Ook kregen we schoolmelk, vette melk in kleine flesjes, waarvan de doppen voor een of ander doel werden verzameld. In de zomer was de melk lauw en niet zo lekker, maar ja, het was gezond en lang niet alle kinderen kregen het thuis.

Het Kerstfeest op school was heel bijzonder. We hadden onze zondagse kleding aan en moesten zelf een bordje en bekertje meenemen en ook een kaarsenstandaard. Ik weet nog precies hoe die van mij eruit zag, het was een rood metalen spiraal in manchetvorm, waar het kaarsje tussen klemde.

De klas zag er ineens heel anders uit. De gordijnen waren dicht en de tafeltjes waren, bedekt met rood, wit of groen crêpepapier, in een U – vorm tegen elkaar aangezet. Of er ook een kerstboom in de klas stond kan ik me niet meer herinneren.

We kregen een stukje kerstbrood en warme chocolademelk, de lichten gingen uit, de kaarsjes aan en we zongen onze pas geleerde kerstliedjes.

Het was mooi en plechtig, we voelden ons helemaal niet arm, maar rijk en warm en wisten niet dat dit gevoel 'geluk' heette.

We kregen het niet opgebrande gedeelte van onze kaarsjes mee naar huis waar, als we boften, een kerstboom stond of anders kersttakken tussen de schilderijen waren gestoken, waarvan we de naalden nog tot de voorjaarsschoonmaak tegenkwamen.

Anneke Koehof ©

Deze herinnering werd op 16 december 2012 geplaatst op Het Geheugen van Oost